www.vergadering.nu  Recensie-index  www.vergadering.nu

4 RECENSIES


Het heil van God
Ontwerp van een soteriologie

Dr. Willem J. Ouweneel
Uitg. Medema, Heerenveen 2010
422 blz. geb. 39,95
Dit boek bestellen...

Gods heil is de uitwerking van Gods verlossende kracht in van nature verloren mensen. Dit heil zien is het ervaren ervan in bekering, wedergeboorte, rechtvaardiging, heiliging, enzovoort. Dit zesde deel van de Evangelisch-Dogmatische Reeks gaat echter ook over het verstaan van het heil. Daarvoor is een zekere mate van verstandelijk vermogen nodig, maar het is niet alles. Voor dit 'zien' is vooral nodig: 'verlichte ogen van ons hart' (Efeziërs 1:18). En daarmee is de cirkel rond, want ons hart is het centrum van ons bestaan, ons allerdiepste ik. Dáár moet het heil van God een plaats vinden en van daaruit moet het het hele bestaan van de verloste mens doorgloeien.
Het Zoenoffer van God ging over alles wat Christus door zijn lijden, sterven en opstanding voor de mens gedaan heeft: de objectieve kant van het heil. In dit deel gaat het om alles wat God aan en in de mens gedaan heeft en doet: de subjectieve kant van het heil. Alleen door Christus, in de kracht van de Heilige Geest, wordt Gods heil werkelijkheid voor en in ons.

Dit is het zesde deel van een geplande dogmatische reeks. Lees meer recensies:

1. De Geest van God...
2. De Christus van God...
3. Het schepping van God...
4. Het plan van God...
5. Het zoenoffer van God...
6. Het heil van God...
7. De Kerk van God, deel 1...
8. De Kerk van God, deel 2...
9. Het verbond en het koninkrijk van God
10. De toekomst van God
11. Het woord van God
12. De glorie van God
 


4 . Biblion - 2012 - www.deboekensalon.nl 

Lekker winkelen zonder zorgen - Gratis verzending en retour


Boekrecensie door Biblion

Stonden in deel vijf van deze evangelisch-dogmatische reeks de objectieve kanten van het heil centraal, in dit zesde deel behandelt de auteur, hoogleraar filosofie en systematische theologie (Leuven) de subjectieve kanten van het heil. Het is een ontwerp van een soteriologie (de leer over Christus als verlosser) en dat impliceert dat onder meer de roeping, de bekering, het 'reddende' geloof en het praktische geloofsvertrouwen, de gerechtigheid van God, de rechtvaardiging van de zondaar, de heiliging en de navolging van Christus aan de orde komen. 

Ouweneel beklemtoont dat de vraag van het evangelie niet alleen is 'hoe ik in de hemel kom', maar 'hoe ik de aarde doorkom'. Dat betekent vanuit de Heilige Schrift dat het in de soteriologie altijd gaat om het koninkrijk van God als 'belichaming van alle heil, vrede, verlossing, verzoening, gerechtigheid en heiligheid'. Centraal staat dat God de mens niet rechtvaardigt vanwege zijn geloof, maar vanwege zijn eigen genade, die 'door het geloof omhelsd wordt': Christus wordt ons geschonken. Opnieuw een met hartstocht geschreven deel voor elke pastor en geïnteresseerde christen.


3. Boekbespreking door Jenno Sijtsma - 10 mei 2010 

Het heil van God

Het is en blijft een wetenschappelijke studie, die ik frank en vrij de lezer overleg en blootstel aan diens opbouwende kritiek. Dat schrijft Dr. Willem Ouweneel in het voorwoord van het zesde deel van zijn Evangelisch-Dogmatische Reeks, dat onder de titel Het heil van God, ontwerp van een soteriologie verscheen. Hij merkt op dat de bijbelvertaler het woord 'heil' eigenlijk nergens nodig heeft. De vertaler `komt prima uit met de letterlijke vertalingen van de desbetreffende Griekse en Hebreeuwse woorden: verlossing, behoudenis (uit)-redding, nader toegespitst: roeping, bekering, wedergeboorte, eeuwig leven, rechtvaardiging, heiliging, theósis (letterlijk ‘vergoddelijking', het op God gaan lijken, zijn beeld gaan vertonen als product van geestelijke rijping). Toch heb ik me aan de traditie gehouden en soteriologie weergegeven als heilsleer (in plaats van behoudenisleer), waardoor ik ervoor gekozen heb het woord 'heil' ook in de titel op te nemen.'

Het zoenoffer van God
In deel vijf, Het zoenoffer van God, ontwerp van een verzoeningsleer, stond de behandeling van de objectieve kanten van het heil centraal. Groots weidde Ouweneel uit over allerlei teksten uit de verzoeningsleer van het Oude Testament, die ten grondslag liggen aan de nieuwtestamentische leer aangaande de betekenis van het verzoeningswerk van Christus. Voor hem geeft juist de typologische uitleg van de Israëlitische offerdienst veel inzicht op de Nieuwtestamentische verzoening, die daardoor rijker en helderder (begrepen) wordt.

Ouweneel is ervan overtuigd dat veel oudtestamentische teksten duidelijk een messiaanse, strekking hebben. God verrolt zijn beloften slechts op basis van het offer, dat is van hét Offer: in Christus (en zijn werk) zijn alle beloften van God ja en amen (2 Kor. 1:20). Ouweneel beklemtoont dat het initiatief tot de verzoening van God zelf is uitgegaan. God gaf zijn eigen Zoon over in de dood als bewijs van zijn liefde jegens de mens. 'Het is absoluut in en naar het getuigenis van de Schift: 'verzoening door voldoening’, waarbij God niet primair object, maar subject van de verzoening is’.

Het is onvoorstelbaar boeiend wat Ouweneel schrijft over de betekenis van Christus' offer voor de enkele mens, de gemeente, de wereld en niet te vergeten voor Israël, en welke gevolgen dat kruiswerk van Christus heeft voor genezing en bevrijding.

Hoe kom ik de aarde door
Het mag helder en vanzelfsprekend zijn dat dit zesde deel onlosmakelijk met het vijfde deel samenhangt. Hier wordt ingegaan op de roeping die van God naar de mens uitgaat. De mens moet wedergeboren worden (dat is Gods kant), maar er is ook de noodzaak dat elk mens zich ook bekeert (dat is de kant van de menselijke verantwoordelijkheid). Vakkundig en gedegen behandelt Ouweneel uitvoerig het ‘reddende geloof’ en het praktische geloofsvertrouwen.

Daar komen allerlei diepgaande zaken aan de orde als de gerechtigheid van God, de rechtvaardiging van de zondaar, de heiliging en de navolging van Christus, die zoals boven aangegeven, alles te maken hebben met het heil van God. Ouweneel beklemtoont dat de vraag van het evangelie niet alleen is hoe ik in de hemel kom, c.q. in het koninkrijk der hemelen, maar ook: hoe kom ik de aarde door, als wat voor soort mens? Want het mag voor elke gelovige duidelijk zijn, dat het niet kan blijven bij een moment van het belijden van het geloof, zeg maar de eerste stap. Het geloof van het hart moet samengaan met de belijdenis van de mond en de beleving in de daad. 'Het geloof betekent de ontvankelijkheid voor de kracht van God die zich in ons leven manifesteert'. Dat betekent vanuit de Heilige Schrift dat het in de soteriologie altijd gaat om het koninkrijk van God als 'belichaming van alle heil, vrede, verlossing, verzoening, gerechtigheid en heiligheid'. Centraal staat daarin dat God de mens niet rechtvaardigt vanwege zijn geloof, maar vanwege zijn eigen genade, die 'door het geloof omhelsd wordt': Christus wordt ons geschonken.

Het gaat er in ons leven dwars door alles heen dan ook om dat Christus 'in ons gestalte krijgt'. Dan, eerst dan kan en zal er sprake zijn van vrucht dragen. Maar ook hier, opnieuw, is het primair en bovenal een zaak van Godswege. Zoals Ouweneel niet moe wordt te benadrukken: `Het kan niet genoeg beklemtoont worden dat het Gods soevereine genade is en de kracht van de Heilige Geest dat een mens 'uit geloof gerechtvaardigd en geheiligd wordt, maar het is evengoed onze (persoonlijke) verantwoordelijkheid om ons te bekeren en in geloof Christus en zijn werk aan te nemen en het geloofsleven 'aan te sluiten op het krachtskanaal van de Heilige Geest.'

Heel veel christenen leven ver onder de maat, beneden hun stand, en ze staan er niet of nauwelijks bij stil dat het zo is. Er is niet of nauwelijks meer het besef dat geloven een werkwoord is en dat het om groei vraagt, zoals alle leven dat vraagt. 'Niet de geloofszekerheid is het doel maar de theôsis, de verwerkelijking van de complete, gave mens, die, hoewel hij op aarde de zondige natuur nog in zich heeft, toch `een mens in Christus' is.

De Schrift centraal
Wat opvalt, en dat dan niet alleen in dit zesde deel maar in heel deze Evangelisch-Dogmatische Reeks is dat de auteur zo zorgvuldig en intens de Bijbel aan het woord laat. Steeds opnieuw is er een veelheid van teksten die worden aangehaald om de lezer te overtuigen van de waarde van het betoog, dat geënt is op de Schrift.

En wat tenslotte ook nogmaals beklemtoond mag worden is dit: de ware vrome mens leeft slechts uit de genade van God. Het geloof van de zondige mens voegt niets toe aan het evangelie (Johannes 3 : 16) zoals de ramen van onze huizen niets toevoegen aan het licht van de zon.

Deze belangrijke studie heb ik met intense aandacht gelezen en bestudeerd. Ik ervaar het, net als de vorige delen, als een niet alleen met grote kennis en geleerdheid geschreven boek, maar vooral als een met hart-stocht geschreven deel in een geweldig belangrijke serie, voor elke pastor, maar niet minder voor elke christen die bewust(er) wil geloven, een zegen.


2. Reformatorisch Dagblad - 19 juli 2010 - www.refdag.nl

Voorbij het zondaarsgeloof

Recensie door dr. W. van Vlastuin

De soteriologie gaat over kernen van de gereformeerde theologie: roeping, bekering, wedergeboorte, rechtvaardiging. Hierin blijkt dat prof. dr. W. J. Ouweneel een andere weg gaat dan de gereformeerde traditie.

In de Evangelisch-Dogmatische Reeks is het zesde deel verschenen, een geweldige prestatie van de auteur, Willem J. Ouweneel. De titel van dit deel luidt: ”Het heil van God. Ontwerp van een soteriologie”.

In de soteriologie gaat het om thema’s die tot de kernen van de gereformeerde theologie behoren: Gods roeping, bekering, wedergeboorte, kindschap, geloof, rechtvaardiging en heiliging. In deze thema’s blijkt dat Ouweneel een andere weg gaat dan de gereformeerde traditie. Hij wijst het spreken over de toegerekende gerechtigheid af. Volgens hem gaat het meer om een instorting van Gods genade in het Nieuwe Testament dan om een juridische toerekening. Men wordt dus niet rechtvaardig verklaard zonder dat men een rechtvaardige is, maar men wordt daadwerkelijk tot een rechtvaardige gemaakt.

Deze lijn is karakteristiek voor het hele boek. Ouweneel verzet zich keer op keer tegen de notie dat we een goddeloze blijven. Dit blijkt nog sterker in het hoofdstuk over de heiliging. Volgens Ouweneel heeft de gereformeerde theologie zich veel te veel laten leiden door het zondeprobleem. Het hele heil in Christus wordt daardoor bepaald. Volgens hem is dat veel te beperkt en vooral te negatief.

Het Nieuwe Testament benadrukt de heilige positie in Christus. In Christus is onze oude mens gekruisigd. Daarom moeten we de zonde niet zo serieus nemen, maar aanvaarden dat onze oude mens dood is.

In de heiliging moet het niet alleen gaan om het afsterven van de zonde, maar om de positieve toewijding aan God. In dit verband zoekt Ouweneel aansluiting bij het spreken over de zogenoemde ”theosis” (vergoddelijking) in de oosterse kerken. Christenen vertonen steeds meer het beeld van God. We moeten ons niet concentreren op het lijden van Christus, maar op de verheerlijking van Christus. Het Westen wordt te veel gestempeld door Genesis 3, terwijl het Oosten zich laat leiden door Genesis 1. De vervulling met de Heilige Geest wordt in het westerse christendom al te zeer verwaarloosd.

De strijd van een christen voltrekt zich niet in de eerste plaats tegen de inwonende zonde, maar de strijd is actief naar buiten gericht. We moeten de duivel bestrijden en terrein op hem veroveren. De gereformeerde traditie is veel te defensief ingesteld. Het christenleven moet veel meer offensieve trekken krijgen.

Ouweneel ontkent niet dat christenen steeds diepere zelfkennis krijgen of dat we een zondig hart behouden. Maar we moeten de zonde in het oordeel brengen, steeds als deze zich aandient. Christenen zullen niet volmaakt worden, maar het is niet nodig dat we ons door het ”arme zondaarsgeloof” laten beheersen. Er zijn vaders in de genade die boven dat ”arme zondaarsgeloof” zijn uitgegroeid. Er zijn struikelingen in het christenleven, maar we moeten niet net doen alsof er niets anders is dan zonde in Gods kind. Struikelingen blijven uitzonderingen. Gelovigen struikelen niet alleen, ze behalen ook superoverwinningen.

De schrijver neemt dan ook uitdrukkelijk afstand van uitspraken in de Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis waarin staat dat de boosheid ons altijd aanhangt, dat onze beste werken Gods straf verdienen of dat de heiligsten een klein beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid hebben.

Het is niet moeilijk om de verschillen met de gereformeerde theologie te zien. Ouweneel brengt ze zelf uitdrukkelijk in kaart. Belangrijker dan deze vraag is of Ouweneel de Schrift aan zijn kant heeft. Als gereformeerd christen laten we ons immers leiden door het sola Scriptura. Dat houdt in dat we altijd willen luisteren naar het beroep op de Schrift en altijd rekenen met de mogelijkheid dat we de Schrift niet goed hebben verstaan. De bekering van ons verstand is een voortgaande zaak.

Ouweneel heeft mij niet weten te overtuigen. In de eerste plaats kunnen zijn argumenten mij er niet van overtuigen dat er in het Nieuwe Testament geen juridisch aspect in de rechtvaardiging aanwezig is. In Christus worden we tot rechtvaardigen gerekend, terwijl we in onszelf zondaren zijn.

Ten tweede valt het mij op dat Ouweneel het zondeprobleem reduceert door de geestelijke strijd te betrekken op concrete uiterlijke zonden en struikelingen. Het is in de gereformeerde traditie geen onbekende zaak dat we spreken over ‘sommige’ publieke struikelingen. In het klassieke doopformulier lezen we het zo. Christenen zijn ook betrokken op de publieke zaak van Christus. Maar dat sluit niet de inwendige strijd tegen de zonde uit. De exegese van Romeinen 7:14-26 en Galaten 5:17 laten ons zien dat er in het leven van Paulus een blijvende worsteling met de inwonende zonde is. Volgens Ouweneel ontbreekt de kracht van de Geest in Romeinen 7:14-26. Galaten 5:17 functioneert in zijn denken niet, evenmin als de uitspraak van Paulus in 1 Timotheüs 1:15 dat hij de grootste der zondaren is.

Tot slot viel mij op dat een diepe en grondige exegese ontbreekt. Het komt mij voor dat teksten al te gemakkelijk worden aangehaald, zonder ze te plaatsen in de bredere verbanden van de Schrift en spanningen met andere gegevens te doordenken.

Lees de diverse reacties op: http://www.cip.nl/nieuwsbericht_detail.asp?id=17301

 


1. Nederlands Dagblad - 7 mei 2010 - www.nd.nl 

Heil door verzoening

Recensie door dr. Jan Hoek

Schitterende facetten van Gods heil

In het zesde deel van zijn Evangelisch-Dogmatische Reeks biedt dr. W.J. Ouweneel de lezer diepgravende en geestelijk verrijkende beschouwingen over het ontvangen en het beleven van het heil in Christus.

Het gaat in dit boek achtereenvolgens over de roeping van God, de bekering tot God, de wedergeboorte, eeuwig leven, kind- en zoonschap, het reddende geloof, praktisch geloofsvertrouwen, de gerechtigheid van God, rechtvaardiging in het jodendom, rechtvaardiging in het Nieuwe Testament, ‘traditionele misverstanden’, positionele en praktische heiliging, de navolging van Christus en tenslotte de theosis. Zorgvuldige lezing van dit werk heeft mij een aantal vruchtbare uren bezorgd
.




Lekker winkelen zonder zorgen - Gratis verzending en retour
Fragiel evenwicht

Een rode draad door het boek is dat de auteur steeds een fragiel en subtiel evenwicht aangeeft tussen enerzijds Gods soevereiniteit en anderzijds de menselijke verantwoordelijkheid. Beide gelden volop en onverkort, het één komt nergens in mindering op het ander, de paradox blijft overal voluit staan. Zo wil Ouweneel niet spreken van een ‘uitwendige roeping’ naast een ‘inwendige roeping’, omdat zo’n terminologie in feite ontkent dat de roeping van Godswege welgemeend komt tot allen die het evangelie horen. De roeping wordt dan overschaduwd vanuit een scheefgetrokken predestinatieleer. Liever kiest hij voor de terminologie ‘algemene en beantwoorde roeping’.

Op dezelfde wijze komt dit paradoxale evenwicht tot uiting in het spreken over ‘wedergeboorte en bekering’. Beide begrippen zijn elkaars tegenhangers als aanduiding van wezenlijk hetzelfde heilsgebeuren, waarbij het eerste met name Gods soevereine handelen en het tweede meer de menselijke verantwoordelijkheid belicht. In de bekende discussie of wedergeboren christenen nog voor eeuwig verloren kunnen gaan (eens gered, altijd gered?), kiest Ouweneel niet onduidelijk voor het mijns inziens Bijbelse standpunt. Zij die het eeuwige leven ontvangen hebben en met de ‘nieuwe mens’ bekleed zijn, kunnen niet alsnog verloren gaan. Hij spreekt echter in dit verband liever niet over de ‘volharding der heiligen’ (omdat die term meer op de eigen verantwoordelijkheid van de gelovigen wijst), maar over de ‘bewaring van de heiligen’ in Gods trouw. Tegelijkertijd ziet hij scherp dat er meer dan eens misbruik wordt gemaakt van deze overtuiging wanneer mensen die geen ernst maken met de daadwerkelijke navolging van Christus zich verschuilen achter een vals beroep op Gods beloften.

Gerechtigheid en heiligheid

Overtuigend acht ik het betoog over de betekenis van ‘gerechtigheid Gods’ in de bekende tekst Romeinen 1: 17. Het gaat hier niet om ‘de gerechtigheid die voor God geldt’, dus gerechtigheid als geschenk, maar om Gods eígen gerechtigheid die in het evangelie geopenbaard wordt. Het is de barmhartige gerechtigheid die Gods beloften aan de zondaar nakomt op grond van Christus’ verlossingswerk. Het is de blijde boodschap dat ons heil niet slechts te danken is aan Gods liefde, waarbij zijn tegen de zonde toornende gerechtigheid op een zijspoor wordt gezet.
Het is nu juist rechtvaardig dat God zondaars rechtvaardigt. God is het vanwege zijn heilige wezen aan Christus verschuldigd om elk die in geloof zijn hand op diens werk legt, de gevolgen van dit werk toe te rekenen dat Christus juist voor zulke mensen heeft volbracht. Sterke nadruk legt Ouweneel op de krachtige werking van de Heilige Geest in de levens van de gelovigen. In de bekende discussie over Rom. 7 (bedoelt Paulus met ‘ik ellendig mens’ de wedergeboren of de nog niet wedergeboren mens), kiest hij voor de opvatting dat het gaat om een wedergeboren christen, maar dan in een abnormale toestand. Het normale christelijke leven wordt in Romeinen 8 getekend: zo vele als er door de Geest van God geleid worden, zijn kinderen van God.

Het is niet de gewoonste zaak van de wereld dat aan alle daden van de gelovigen de zonde kleeft. Het is veeleer de gewoonste zaak van de wereld dat hij niet langer de zonde praktiseert. De zondige aard is er nog wel, maar de zonde heerst niet meer in het leven van de wedergeboren christen. Deze beschouwingen over de heiliging monden uit in een herwaardering van het uit de oosters-orthodoxe traditie bekende begrip theosis, het steeds dichter bij God komen en steeds meer op Hem gaan lijken. Door het geloof worden we in een intieme gemeenschap met God gebracht, zodat de stralende glans van de Vader zichtbaar wordt in de levens van de heiligen op aarde. Het gaat hier niet om eenwording met God, de grens tussen Schepper en schepsel wordt niet overschreden. Evenmin is perfectionisme aan de orde, maar wel een geestelijke volwassenheid in Christus. Het eeuwige leven wordt hier en nu al ervaren wanneer we de Vader kennen in gemeenschap met de Zoon. Zo beschouwd is theosis niets anders dan waarover de bevindelijke Psalm 25 spreekt: ’Gods verborgen omgang vinden zielen waar Gods vrees in woont’.

Schaduwzijden

Hoe zeer ik Ouweneels thetische uiteenzettingen over het algemeen kan waarderen, moeite heb ik vaak met zijn polemische passages. Zo noemt hij de bekende indeling van de Heidelbergse Catechismus (ellende, verlossing, dankbaarheid) ‘gevaarlijk en misleidend’ vanuit de veronderstelling dat het hier om een chronologisch schema zou gaan. Waarom heeft hij niet de moeite genomen eens bij Willem Verboom of een andere kenner van de Catechismus te lezen hoe deze driedeling in werkelijkheid bedoeld is, namelijk als theologische volgorde en als dwarsdoorsnede van het leven uit de enige troost in Christus?

Zo bezien is het juist een uiterst gelukkige greep van de Heidelberger om het drievoudig geheim van het christenleven in het licht te stellen. In de bestrijding van het ‘arme zondaarsgeloof’ doet Ouweneel geen recht aan de intenties van de ‘theologie van het kruis’. Het gaat ook hier om een paradox, namelijk minder zonde doen (jazeker, dankzij de vernieuwende kracht van de Geest), maar wel groter zondaar worden in eigen oog voor de heilige God.

Vooral schiet Ouweneel zijn doel voorbij wanneer hij zeer uitvoerig de gedachte bestrijdt dat de actieve gehoorzaamheid van Christus wordt toegerekend aan de gelovige. Ik geef toe dat er over de terminologie te twisten valt, maar de intentie achter deze leer is, dat de gelovige zondaar in Gods ogen geïdentificeerd wordt met de volmaakte Mens, Christus. Met Hem mee opgewekt zijn tot een nieuw leven houdt in dat we in Christus volkomen heilig zijn (positionele heiligheid), om nu in de praktijk van het leven te worden wat we in Hem al zijn. Inderdaad, dat leert Ouweneel ook, maar hij ziet niet in dat de gereformeerde leer inzake de ‘toegerekende gerechtigheid van Christus’ dit bedoelt te onderstrepen. Een minder polemische benadering zou de weg openen elkaar beter te verstaan.

www.vergadering.nu

Counter