Start
Vrouwen profeteren
FAQ
Brochure
Winston
Godet
Praatstuk
Links
Muziek
Opname
Geen opname?
Israel terzijde gesteld?
Wedergeboorte
Zoonschap
Eeuwig zoonschap
Genezing
Geneest de zieken
Handoplegging
Heilige Geest
Charismatisch
Verzoening
|
Home
>
Vrouwen profeteren > FAQ > Brochure > Winston > Godet > Praatstuk > Links
Vrouwen
bidden en profeteren
FAQ
Waar ligt eigenlijk de kern van het probleem?
De kern van het vraagstuk ligt in 1Kor.14:34 en voor sommigen betekent
het dan eenvoudig: zwijgen.
Maar voor anderen ligt de kern in de eraan voorafgaande verzen, waar immers ook de vrouwen hun gave uitoefenen.
Daar wordt duidelijk dat de gave van profetie aan mannen én vrouwen is gegeven.
Die gave wordt blijkens 1Kor.14:24 door "allen" en in vers 26 door "ieder"
in de samenkomst gebruikt. Ook het hoofdstuk ervoor (11:5-10) zegt dat mannen én vrouwen bidden en profeteren in het openbaar.
Kijken we ook naar het ontstaan van de Gemeente. Dat was bij de uitstorting van de Heilige Geest in Hand.2:1.
In die bijeenkomst in de bovenzaal begon het profeteren van de vrouwen.
We lezen daar 3 keer het woord "allen". Allen spraken daar in
talen/tongen.
In de commentaren van 'de broeders' wordt deze deelname van de vrouwen
meestal niet apart genoemd. Het profeteren van de vrouwen dat Petrus
vermeld, wordt in de commentaren niet genoemd en niet uitgelegd. Het paste
blijkbaar niet in de beleving en er werd 'ongemerkt' overheen gestapt.
Maar er zijn dus wel degelijk een hele serie positieve bijbelse gegevens. Die
kunnen natuurlijk niet weerlegd kunnen worden door één tekst daar
tegenover te stellen en die tekst dan maar geheel geïsoleerd van zijn omgeving uit te leggen. Het gaat
in die betreffende tekst (1Kor.14:34,35) over het stellen van kritische vragen.
Paulus gebiedt die vrouwen dat zij dat maar thuis aan hun eigen mannen moeten doen. Er is geen reden om
in dat zwijgen ook maar automatisch de gave van profetie te betrekken. Juist vanwege de eraan voorafgaande omschrijving van de
samenkomst waar allen aangemoedigd worden iets te hebben, is dat niet mogelijk.
Is zwijgen: absoluut zwijgen?
Als 1 Kor.11:5 zegt dat
vrouwen bidden en profeteren, en 1
Kor.14:28-34 zegt dat vrouwen moeten zwijgen, dan lijkt dat op
tegenspraak.
Gaat het dan in 1
Kor.14:28-34 over absoluut zwijgen?
Dat gedeelte geeft aan dat er in Korinthe
een bepaalde misstand was. Dat was de reden dat Paulus schreef dat (in dit specifieke
geval dus) de vrouwen moesten zwijgen en thuis aan hun mannen de
vragen maar moesten stellen. De tekst doet dus sterk vermoeden dat dáár
het probleem lag: dus dat zij het vragen op een verkeerde wijze deden!
Wellicht moeten we er meer aan denken dat zij hun mannen met hun vragen een beetje
voor schut zetten of
iets dergelijks.
Als we alleen 1Ko.14:34 lezen
kunnen we dus de indruk
krijgen dat
het om een absoluut zwijgen gaat. Maar aangezien er in de voorgaande verzen
ook nog
enkele keren gezegd wordt dat mensen moeten zwijgen, en dat was ook in bepaalde situaties,
is daar duidelijk niet een absoluut zwijgen bedoeld.
De context geeft dus op meerdere wijzen aan dat het zwijgen niet absoluut opgevat moet worden.
Uit de directe context die volgt blijkt dat het ging om een
bijzonder
geval, namelijk het stellen van (kritische?) vragen. Uit de directe
context die voorafgaat blijkt dat ieder iets heeft (:26) en
dat allen (:24) profeteren. Het is natuurlijk niet mogelijk om
van die "allen" de zusters uit te sluiten, te meer omdat ook al daarvóór (1Ko.11:5)
gezegd werd dat de vrouwen bidden en profeteren.
GS/NGS
(Gemeentelijke Samenkomst / Niet-gemeentelijke Samenkomst)
De discussie of een
samenkomst wel of geen 'gemeentelijke samenkomst' is een noodzakelijk gevolg van het willen handhaven van
een bepaalde uitleg. Maar zelfs al zou je in 1Kor.11:5 kunnen bewijzen
dat dit bidden en profeteren daar buiten de "gemeentelijke
samenkomst" valt, dan nog tonen andere teksten zoals Hand.2:1-4 en 1Kor.14:24 en 26
aan dat het daar wél in de samenkomst gebeurde.
De hele GS/NGS-discussie is een
verhaal dat alleen maar bedacht is om in bepaalde door onszelf aangewezen samenkomsten de zusters toch maar iets te kunnen laten zeggen en in
de "officiële" samenkomsten te laten zwijgen. Het is een willekeurig
onderscheid. Men bepaalt namelijk zelf wat een 'grote' en wat een
'kleine' samenkomst is. Waar zou dat dan van afhangen? Van het aantal personen? Van het
gebouw? Van de mening van de organisatoren? Verandert het karakter van de samenkomst als
bijvoorbeeld de 'vergadering' (of de 'broedervergadering')
het besluit neemt dat die bijbelbespreking géén "gemeentelijke
samenkomst" is? Waarop is dit gebaseerd? Waarom zouden de zusters
in bijvoorbeeld een
bijbelbespreking van de gemeente als die in de huiselijke kring
gehouden wordt, ineens wel mogen bidden? Het is duidelijk dat dit
willekeur is.
Blijkbaar hebben we dit nodig omdat we zélf het probleem gemaakt
hebben, namelijk door 1 Kor.11:5, waar zusters bidden en profeteren, ondergeschikt te maken aan 1Kor.14:34.
Het blijft ook de vraag waarom het bidden en profeteren van
vrouwen in 1Kor11:5 tot een zgn. 'kleine' samenkomst zou behoren?
Dan zou je immers in 1 Kor. 11:2-16 een aanleiding
moeten vinden om te zeggen dat het daar om een 'kleine' samenkomst of
om de huiselijke kring zou
gaan. Het feit dat zusters daar mogen bidden alleen al is de reden om
het daar een 'kleine' samenkomst te noemen. Dit is duidelijk een cirkelredenering.
Men meent soms steun te vinden in
1Kor.11:17 waar het woord 'samenkomst' gebruikt wordt. Men meent dan dat 1Kor.11:17
betrekking
heeft op het vervolg. Maar waarom zou je in 11:17 niet juist aanleiding
vinden om ook het gedeelte dat ervoor staat erbij te betrekken? Het is
immers wel erg vergezocht, om niet te zeggen
bijna onmogelijk, om de voorafgaande beschrijving van de hoofdbedekking te betrekken op 'buiten de samenkomsten'.
Bovendien is het taalkundig wel haast een 'must' juist vanwege het "Nu ik dit voorschrijf..."
(11:17) ook dat ervoor geschrevene erbij te betrekken!
Dus ieder
heeft iets. Ook vrouwen hebben (of zijn) gaven. Onder hen zijn ook herders,
leraars, evangelisten, profeten, enz. die hun gaven in de gemeente
uitoefenen.
Al met al lijkt er maar één conclusie mogelijk: een samenkomst van de gemeente
is altijd gewoon een samenkomst van de gemeente, of er nu '2 of 3' of 1000
bijeen zijn. En vrouwen mogen daar o.a. volgens 1Kor.11:5 bidden en
profeteren.
Als leden van een gemeente samenkomen met een geestelijk doel is dat per
definitie een samenkomst van de gemeente, al zijn het er maar twee. En
er is niet een
broedervergadering of kerkenraad die dit kan bepalen.
Is
"allen" wel "allen"?
- Korinthe
Dat de zusters in de gemeente van
Korinthe gewoon meededen in de dienst, blijkt behalve uit 1Kor.11:5 ook uit
het feit dat in 1Kor 14:24-26 allen(!) iets hadden. En er is geen reden
om van die 'allen' de zusters uit te sluiten.
Dat "allen" vinden we vaker. Vanaf de eerste dag van de Nieuwtestamentische gemeente lezen we dat
allen, ook de
zusters, in talen spraken en ook profeteerden.
- Pinksterdag
Op de ontstaansdag(!) van de Gemeente
lezen we:
- dat allen bijeen waren in de bovenzaal (Hand.2:1) en
- dat
allen in vreemde talen gingen spreken
(Hand.2:4) en
- dat Petrus even later hiervan zegt dat het de vervulling
van de profetie van Joël is en speciaal van de vrouwen zegt dat zij daar profeteerden (Hand.
2:14-18).
- Als gemeente bijeen
Nadat de apostelen zijn vrijgelaten gaan zij naar de hunnen en
bidden zij eendrachtig en wordt het huis bewogen en allen
werden vervuld met de Heilige geest en spraken het woord van god met
vrijmoedigheid (Hand.4:23-31).
Aan wie zijn de gaven gegeven?
De gaven zijn niet alleen aan de mannen maar ook aan de vrouwen gegeven; en dan niet alleen ten behoeve
van andere vrouwen, maar t.b.v. de héle gemeente, ook ten dienste van
de mannen:
Rm12:3v - God heeft ieder toebedeeld... elk afzonderlijk zijn wij
leden van elkaar
Ef4:7v - aan een ieder is gegeven... sommigen als...
1Ko.12:4v - het is dezelfde God die alles in allen werkt...
Er zijn vrouw-evangelisten:
Fil4:2,3 - Euódia en Syntyché... die met mij gestreden hebben in het
evangelie
Er zijn profetessen:
Hd.21:9 - Filippus de evangelist had 4 dochters die profeteerden
Er zijn leraressen:
Titus 2:3 - de oude vrouwen eveneens... leraressen van het
goede...
Van de gave van herder is geen speciale tekst voor vrouwen, maar vrouwelijke herders zijn er onmiskenbaar ook speciaal naar mannen
toe.
Is "leren" niet toegestaan? Is alle spreken ook
"leren"?
Het is duidelijk dat niet alle spreken
ook leren is.
Profeteren kan soms wel leren zijn, zoals in 1Kor.14:31
Als we bijvoorbeeld de tekst hierbij nemen dat Aquila en Priscilla aan Apollos
"de weg van God nauwkeuriger uitlegden" (Hd.18:26),
dan is dat gewoon "leren". Beiden leren Apollos. Op zich
genomen blijkt het leren dus helemaal geen probleem te zijn.
Soms wordt leren echter niet toegestaan, zoals in 1Tim. 2:12. Dan is het
dus de vraag wat het
"leren" in 1 Tim. 2:12 inhoudt. We lezen daar: "ik sta
aan een vrouw niet toe dat zij leert of over
de man heerst". Het is duidelijk dat dit niet speciaal met het oog op de samenkomsten
geschreven is, maar
in het algemeen.
Het probleem ontstaat dus pas als een vrouw "leert én over de man
heerst", zoals ook 1 Tim. 2:12 dat in één adem noemt. Daarmee wordt
dus bedoeld: het op een (over)heersende manier leren wat zij
te geloven of te doen hebben. De vrouw kan dus wel leren
aan mannen als zij dat op een goede manier doet, oftewel als zij dat in een
'stille' gezindheid doet.
En net als in 1Kor.14:34 kan ook hier het 'stil zijn' niet absoluut worden opgevat, omdat we in
andere teksten voorbeelden hebben van onderwijzende vrouwen.
Dat we hetgeen Paulus in 1 Tim. 2:8-12 zegt niet zo absoluut moeten
opvatten, blijkt tevens uit de andere 'voorschriften' in
deze verzen. Want wie houdt zich
bijvoorbeeld aan "geen haarvlechten, geen goud of parels, geen
kostbare kleding" dragen? Natuurlijk is dit een
bewijs vanuit het negatieve, maar het geeft wel aan hoe hypocriet we
soms denken.
Kunnen we uit Genesis 1 en 2 een heersende positie van de
man concluderen?
Scheppingsorde?
De zgn. "scheppingsorde" wordt het vaak genoemd.
Dit wordt door Paulus
aangeduid in 1Kor.11:8,9 en 1Tim.2:13.
In 1Tim.2:13 wordt de schepping direct in verband gebracht met de zondeval: Eva werd
verleid, niet Adam.
Daarom moet een vrouw een onderdanige houding hebben (wat dat dan ook
mag inhouden).
De vraag hierbij is of het in de schepping óf in de zondeval is
ingebakken dat mannen 'heersen' (wat dat dan ook mag inhouden) over de
vrouw.
Gen.3:16 duidt erop dat het heersen van de man eerder een (slecht)
gevolg van de zondeval is dan dat het een 'scheppingsopdracht' is.
Adam en Eva werden blijkens Gen.1:28 geschapen om beiden te heersen en
zij gingen vervolgens ook gelijkwaardig met
elkaar om. We zouden bij de scheppingsorde misschien beter aan de scheppingsvolgorde kunnen
denken.
Hoe het ook zij, Paulus noemt beide (de scheppingsvolgorde en de verleiding) als reden voor de onderdanige houding die van een vrouw
verwacht wordt.
Blijkbaar
gaat het om de algemene gezindheid, net zoals de andere 'voorschriften'
in deze verzen. Want je kunt je verbazen over de makkelijke houding die veel nauwgezette
gelovigen hebben ten opzichte van deze verzen als het gaat om opheffen van handen,
vlechten, goud, kostbare kleding... Dat schijnt 'onder ons' allemaal
niet zo belangrijk te zijn of gewoon tijdgebonden.
Daarom kun je ook niet alleen het stukje over de
vrouwelijke onderdanigheid in het licht van schepping en zondeval te
zien. Oók die andere verzen staan ermee in verband. Het lijkt er daarom op dat Paulus
helemaal niet wil scherpslijpen over details, maar een algemene houding wil
aangeven.
Overigens is Genesis 1: 28
in het meervoud geschreven en zegt God tegen beide: onderwerpt de aarde
en hebt heerschappij... De vrouw wordt dus ook volgens de
'scheppingsorde' tot heersen geroepen.
Mannenwerk
Een andere visie is ook wel genoemd: De vrouw treedt niet in het
openbaar op omdat dat een te hard en te ruw bedrijf zou zijn. Daarvoor
is de vrouw te verheven en te fijn. Daarom schept de vrouw de sfeer in
de gemeente en in huis. Zij bemiddelt. Zij heeft een belangrijker taak.
Waarom worden er wel veel
namen van mannen genoemd als profeten en leraars?
In het algemeen vervullen mannen meer openbare bedieningen en
leidersfuncties. Hun namen werden daarbij opgesomd (b.v.: Hand.6:5;
13:1). Mede daaruit mag je de conclusie trekken dat vrouwen best
bescheiden mogen zijn in hun bediening. Maar nergens is de conclusie te
trekken dat zij hun gaven niet in het openbaar mogen uitoefenen. Gezien
de context is 1Kor.14:34 zo'n geval waar vrouwen hun positie teveel
vergaten.
Wat doen
we in deze tijd met de
hoofdbedekking?
De hoofdbedekking diende om te laten zien dat de man het hoofd van de vrouw is.
In 1Kor.11 is te lezen dat het 'dekken' een gewoonte
was van die tijd en cultuur.
Paulus geeft er namelijk geen rechtstreekse bijbelse voorschriften voor. Hij noemt gewone alledaagse argumenten: het
behoort (11:7,10); het is gepast (11:13); zegt de natuur niet (11:14);
het is de gewoonte (11:16). Het gaat over de toenmalige cultuur waarin
het de gewoonte was.
De term "de natuur leert" moeten we gewoon opvatten als
"natuurlijk" of als: "kijk wat je om je heen ziet".
Immers, de natuur leert ons helemaal niet dat mannenhaar kort is. De
natuur leert ons dat mannenhaar net zo lang groeit als vrouwenhaar. Het
gaat erom wat in die tijd gepast, gewoon en natuurlijk was.
Als er dus érgens in de Schrift een voorbeeld is te vinden waaruit
duidelijk blijkt dat het hier niet gaat om een voorschrift voor altijd
en iedereen, dan is dat wel in 1 Kor 11:7-16. Het is een beschrijving, die gebaseerd is op
"gewoonten" die in Korinthe als "gepast" werden
beschouwd. Dan is er geen reden om het over te zetten op ons en onze tijd.
Hoofdbedekking was en is een zaak die aangepast kan (en moet) worden bij de cultuur
waarin je leeft.
Als we dan nu het hoofddoekje kunnen zien
als een tijd- of cultuurgebonden gewoonte, dan is het in onze tijd zelfs
te zien als een
ongewenste associatie met andere godsdiensten en culturen.
Je zou kunnen zeggen dat de betekenis van de
hoofdbedekking in onze tijd op een andere wijze tot uiting zou moeten komen.
In onze (verbale) tijd zou het misschien het beste zijn om het onder
woorden te brengen. Dus dat er in je 'vergadering' over gepraat wordt en
dat de vrouwen in hun woorden tot uiting laten komen dat zij niet met
gezag willen leren en heersen over de mannen, maar juist wel hun eigen plaats willen
innemen.
Dat zou misschien tot uiting kunnen komen in het vermijden van de uitleg van echte
leerstukken of je beperken tot het geven van getuigenissen, of een levenservaring
vertellen of een bemoediging geven.
In de gebeden lijkt het probleem helemaal niet te bestaan.
Verder is het nog belangrijk om te zien dat het hoofddeksel tevens als een macht werd
aangeduid.
De vrouw kreeg daardoor het recht(!) of de macht om te bidden en te
profeteren, terwijl zij er tevens mee liet zien dat de man het hoofd van
de vrouw is.
Wat
betekenen hoofddoeken vandaag?
Wij leven in een andere cultuur dan de oosterse cultuur.
In die oosterse cultuur gaf Paulus, die de Joden een Jood en de Grieken een Griek wilde zijn, 'voorschriften'. Die voorschriften hebben in die oosterse cultuur nog steeds hun functie. Maar hier in de westerse cultuur
is het niet moeilijk om in te zien dat wij een volkomen verkeerd signaal afgeven naar de mensen om ons heen, als 'onze' vrouwen een hoofddoek dragen.
De hoofddoek is hier in Nederland en in de hele westerse wereld al meer
en meer een symbool van onderdrukking aan het worden. En in de
oosterse wereld is het al bijna synoniem voor onderdrukking. Let wel, dat is
dus nu ook het signaal dat 'wij' ermee afgeven aan de mensen om ons
heen. Luister maar naar wat mensen hier in ons land zeggen over christelijke groepen waar hoofddoekjes/hoeden een 'must' zijn.
Natuurlijk is het zo dat de vrouwen dit altijd met de beste bedoelingen gedaan hebben, of nog doen.
Wie het doet, doet het voor de Heer. Maar misschien gebeurt het ook wel
vaak omdat het als een 'wet' geleerd is. Of op aandringen van hun man of van 'de broeders'. Want dat is ook
wel begrijpelijk... als je in zo'n gemeenschap zit, wil je niet graag
buiten de boot vallen.
Het is duidelijk dat dit heel gevoelig ligt. Maar dit verhaal is bedoeld
als een eerlijke poging om aan te duiden dat de oosterse cultuur niet per se binnen de christelijke gemeente thuishoort en dat wij er in deze tijd
wel eens een heel verkeerd getuigenis mee kunnen afgeven.
Bekijk het ook eens vanuit een ander gezichtspunt: zou Paulus, als hij vandaag de dag in Nederland een gemeente zou stichten
bestaande uit mensen die zo uit de wereld kwamen... zou hij dan hoofddoeken
voorschrijven?? Ik denk dat het nieuwe testament ons wel zo duidelijk maakt dat het Paulus er alles aan gelegen was om niemand tot aanstoot te zijn.
Heeft het besluit op het apostelconvent
ermee te maken?
In Hand.15
werden door de apostelen en de oudsten besluiten genomen over de
gelovigen die vanuit de heidenwereld tot geloof in Christus kwamen.
Besloten werd dat zij niets hoefden over te nemen van "het juk dat
de vaderen niet konden dragen" (Hand.15:10). Geen besnijdenis, geen
joodse wetten en regels. Slechts van 4 dingen werd besloten dat zij zich
daaraan wel moesten houden: 1.geen afgodendienst; 2. geen hoererij; 3.
geen verstikt vlees eten; 4. geen bloed eten (Hand.15:19,20). Je
mag uit dat besluit ook heel concreet concluderen dat wij (christenen
uit de heidenen) in de overige dingen in principe vrij zijn. Alle joodse
riten en gewoonten zijn voor het joodse volk en niet voor de (christenen
uit de) heidenen.
Is
priesterdienst voor "Aäron en zijn zonen"?
De Oud-Testamentische priesterdienst was alleen bestemd voor Aäron en
zijn zonen. Hieruit concludeert men wel dat het 'dus' voor vrouwen niet
toegestaan is om in het openbaar priesterdienst uit te oefenen. Maar in
het nieuwe Testament zijn in Christus(!) allen priesters. 1Petrus2:5
zegt: u bent een heilig priesterdom om geestelijke offeranden te
offeren. 1Petrus2:9 zegt: u bent een koninklijk priesterdom, een heilig
volk, een volk ten eigendom... Hier kan men niet met een omgekeerde
redenering de vrouwen weer van uitsluiten, want in de christelijke
gemeente zijn de vrouwen ook priesters die offers brengen en dat is de
vrucht van hun lippen! (Hebr.13:15).
De
zevende koningin - door Willem J. Ouweneel [ boeken
bestellen...
]
Enkele
citaten uit dit boek:
blz. 259/260
Door misbruik te maken van twee (m.i. verkeerd verstane) teksten in het Nieuwe Testament, de beroemde (of beruchte) 'zwijgteksten' van 1 Kor. 14:34v. en 1 Tim. 2:11 v., zijn vrouwen in de Gemeente eeuwenlang monddood gemaakt en zelfs onderdrukt. Tegen deze twee teksten moesten talloze andere nieuwtestamentische plaatsen het afleggen. Er was geen plaats voor profeterende dochters als die van Filippus (Hand. 21:9), tenzij zulke dochters veilig werden opgeborgen in nonnenkloosters, waar zij voor de kerk geen 'kwaad' konden. Vandaag zou men moeten zeggen: veilig opgeborgen binnen het 'vrouwenwerk', waar zij voor het gewone gemeenteleven geen 'kwaad' kunnen.
Eeuwenlang was er geen plaats in de Gemeente voor vrouwen die getuigden te midden van de vergaderde gelovigen (Luk. 24:9 11,22v.), of voor hardop biddende en profeterende vrouwen in de samenkomsten (1 Kon 11:5), tenzij weer in de veilige isolatie van de kloosters resp. het 'vrouwenwerk'.
blz. 262
Wat 1 Kor. 14:34v. betreft, na zorgvuldige analyse van deze passage pleit ik voor de conclusie dat het 'zwijggebod' geen absolute strekking heeft, maar slechts voor bepaalde situaties geldt, zoals het openbaar 'beoordelen' van profeten (vs. 29). Er staan immers té veel andere plaatsen tegenover die de vrouwen een volwaardige plaats in de Gemeente geven.
blz. 263
Mannen en vrouwen kunnen binnen de Ekklesia niet zonder elkaar. Het gaat volledig tegen de geest van het Nieuwe Testament in om te beweren dat dit alleen voor buiten de gemeentelijke bijeenkomsten zou gelden. Het eigenlijke leven van de Gemeente speelt zich juist in belangrijke mate in haar bijeenkomsten af. Ook daar, juist daar, moeten de mogelijkheden en capaciteiten die God aan vrouwen gegeven heeft, tot hun recht kunnen komen. Vrouwe Ekklesia kan haar bijeenkomsten geen recht laten wedervaren bij een volstrekt mannelijk alleenrecht op participatie.
blz. 264
Het is evident dat het feminisme gewoonlijk ver over zijn doel heen schiet. Het is onzin dat mannen en vrouwen, die in Christus volstrekt gelijkwaardig zijn, daarom ook precies gelijke taken zouden moeten uitoefenen. Vrouwen hebben, overigens mede door de schuld van de mannen, in het verleden én het heden altijd weer de fout gemaakt hun gelijkwaardigheid te willen afdwingen door de taken van mannen over te nemen. Hoeveel beter hadden zij de verwaarloosde vrouweliike taken op zich kunnen nemen. Laten de geestelijke vaders alsjeblieft vaders, en de moeders alsjeblieft moeders mogen zijn! De vrouw komt in de Gemeente niet tot haar recht door per se ook een vader te willen zijn, bijvoorbeeld als leidinggevende ouderling. Zij moet een moeder zijn, dat wil zeggen 'zichzelf' zijn.
Daarmee wil ik mannen en vrouwen, vaders en moeders, bepaald niet te sterk van elkaar scheiden. Ik weet ook best dat mannen een vrouwelijke zijde, en vrouwen een mannelijke zijde hebben, en dat mannen daardoor soms heel 'moederlijk', en vrouwen soms heel 'vaderlijk' kunnen zijn. Als Paulus tegen over de Thessalonicenzen als een 'voedende moeder' kon optreden (1 Thes.2:7), waarom zouden andere dienstknechten van God dat dan niet kunnen? Maar dan moeten sommige vrouwen ook evengoed in staat worden geacht soms als een vermanende en vertroostende 'vader' op te treden (vs. 11). Wie zou echter willen ontkennen dat in het algemeen de vaders het vaderlijkst en de moeders het moederlijkst zijn? Laat daarvoor in de gemeenten dan ook ruimte mogen zijn.
Meer bijbelse
aanwijzingen:
Hand.1:14 - deze allen
volhardden in het gebed met de vrouwen...
Rom. 16:1 - Febe, onze
zuster die een dienares is...
Rom.16:3 - Prisca en Aquila,
mijnmedearbeiders in Christua Jezus...
Rom.16:12 - Tryfena en
Tryfosa die in de Heer arbeiden...
Galaten 3:28 - in Christus
is geen man of vrouw...
|