Start

Vrouwen profeteren
   FAQ
   Brochure
   Winston
   Godet
   Praatstuk
   Links

Muziek

Opname
   Geen opname?
   Israel terzijde gesteld?

Wedergeboorte

Zoonschap
   Eeuwig zoonschap

Genezing
   Geneest de zieken
   Handoplegging
Heilige Geest
Charismatisch

Verzoening


Home > Vrouwen profeteren > FAQ > Brochure > Winston > Godet > Praatstuk > Links

Vrouwen bidden en profeteren
FAQ

Waar ligt eigenlijk de kern van het probleem?

De kern van het vraagstuk ligt in 1Kor.14:34 en voor sommigen betekent het dan eenvoudig: zwijgen.
Maar voor anderen ligt de kern in de eraan voorafgaande verzen, waar immers ook de vrouwen hun gave uitoefenen. Daar wordt duidelijk dat de gave van profetie aan mannen n vrouwen is gegeven. Die gave wordt blijkens 1Kor.14:24 door "allen" en in vers 26 door "ieder" in de samenkomst gebruikt. Ook het hoofdstuk ervoor (11:5-10) zegt dat mannen n vrouwen bidden en profeteren in het openbaar.
Kijken we ook naar het ontstaan van de Gemeente. Dat was bij de uitstorting van de Heilige Geest in Hand.2:1. In die bijeenkomst in de bovenzaal begon het profeteren van de vrouwen. We lezen daar 3 keer het woord "allen". Allen spraken daar in talen/tongen.

In de commentaren van 'de broeders' wordt deze deelname van de vrouwen meestal niet apart genoemd. Het profeteren van de vrouwen dat Petrus vermeld, wordt in de commentaren niet genoemd en niet uitgelegd. Het paste blijkbaar niet in de beleving en er werd 'ongemerkt' overheen gestapt.

Maar er zijn dus wel degelijk een hele serie positieve bijbelse gegevens. Die kunnen natuurlijk niet weerlegd kunnen worden door n tekst daar tegenover te stellen en die tekst dan maar geheel gesoleerd van zijn omgeving uit te leggen. Het gaat in die betreffende tekst (1Kor.14:34,35) over het stellen van kritische vragen. Paulus gebiedt die vrouwen dat zij dat maar thuis aan hun eigen mannen moeten doen. Er is geen reden om in dat zwijgen ook maar automatisch de gave van profetie te betrekken. Juist vanwege de eraan voorafgaande omschrijving van de samenkomst waar allen aangemoedigd worden iets te hebben, is dat niet mogelijk.


Is zwijgen: absoluut zwijgen?

Als 1 Kor.11:5 zegt dat vrouwen bidden en profeteren, en 1 Kor.14:28-34 zegt dat vrouwen moeten zwijgen, dan lijkt dat op tegenspraak.
Gaat het dan in 1 Kor.14:28-34 over absoluut zwijgen?
Dat gedeelte geeft aan dat er in Korinthe een bepaalde misstand was. Dat was de reden dat Paulus schreef dat (in dit specifieke geval dus) de vrouwen moesten zwijgen en thuis aan hun mannen de vragen maar moesten stellen. De tekst doet dus sterk vermoeden dat dr het probleem lag: dus dat zij het vragen op een verkeerde wijze deden! Wellicht moeten we er meer aan denken dat zij hun mannen met hun vragen een beetje voor schut zetten of iets dergelijks.

Als we alleen 1Ko.14:34 lezen kunnen we dus de indruk krijgen dat het om een absoluut zwijgen gaat. Maar aangezien er in de voorgaande verzen ook nog enkele keren gezegd wordt dat mensen moeten zwijgen, en dat was ook in bepaalde situaties, is daar duidelijk niet een absoluut zwijgen bedoeld.

De context geeft dus op meerdere wijzen aan dat het zwijgen niet absoluut opgevat moet worden. Uit de directe context die volgt blijkt dat het ging om een bijzonder geval, namelijk het stellen van (kritische?) vragen. Uit de directe context die voorafgaat blijkt dat ieder iets heeft (:26) en dat allen (:24) profeteren. Het is   natuurlijk niet mogelijk om van die "allen" de zusters uit te sluiten, te meer omdat ook al daarvr (1Ko.11:5) gezegd werd dat de vrouwen bidden en profeteren.

GS/NGS (Gemeentelijke Samenkomst / Niet-gemeentelijke Samenkomst)

De discussie of een samenkomst wel of geen 'gemeentelijke samenkomst' is een noodzakelijk gevolg van het willen handhaven van een bepaalde uitleg. Maar zelfs al zou je in 1Kor.11:5 kunnen bewijzen dat dit bidden en profeteren daar buiten de "gemeentelijke samenkomst" valt, dan nog tonen andere teksten zoals Hand.2:1-4 en 1Kor.14:24 en 26 aan dat het daar wl in de samenkomst gebeurde.

De hele GS/NGS-discussie is een verhaal dat alleen maar bedacht is om in bepaalde door onszelf aangewezen samenkomsten de zusters toch maar iets te kunnen laten zeggen en in de "officile" samenkomsten te laten zwijgen. Het is een willekeurig onderscheid. Men bepaalt namelijk zelf wat een 'grote' en wat een 'kleine' samenkomst is. Waar zou dat dan van afhangen? Van het aantal personen? Van het gebouw? Van de mening van de organisatoren? Verandert het karakter van de samenkomst als bijvoorbeeld de 'vergadering' (of de 'broedervergadering') het besluit neemt dat die bijbelbespreking gn "gemeentelijke samenkomst" is? Waarop is dit gebaseerd? Waarom zouden de zusters in bijvoorbeeld een bijbelbespreking van de gemeente als die in de huiselijke kring gehouden wordt, ineens wel mogen bidden? Het is duidelijk dat dit willekeur is.
Blijkbaar hebben we dit nodig omdat we zlf het probleem gemaakt hebben, namelijk door 1 Kor.11:5, waar zusters bidden en profeteren, ondergeschikt te maken aan 1Kor.14:34.

Het blijft ook de vraag waarom het bidden en profeteren van vrouwen in 1Kor11:5 tot een zgn. 'kleine' samenkomst zou behoren? Dan zou je immers in 1 Kor. 11:2-16 een aanleiding moeten vinden om te zeggen dat het daar om een 'kleine' samenkomst of om de huiselijke kring zou gaan. Het feit dat zusters daar mogen bidden alleen al is de reden om het daar een 'kleine' samenkomst te noemen. Dit is duidelijk een cirkelredenering.

Men meent soms steun te vinden in 1Kor.11:17 waar het woord 'samenkomst' gebruikt wordt. Men meent dan dat 1Kor.11:17 betrekking heeft op het vervolg. Maar waarom zou je in 11:17 niet juist aanleiding vinden om ook het gedeelte dat ervoor staat erbij te betrekken? Het is immers wel erg vergezocht, om niet te zeggen bijna onmogelijk, om de voorafgaande beschrijving van de hoofdbedekking te betrekken op 'buiten de samenkomsten'.
Bovendien is het taalkundig wel haast een 'must' juist vanwege het "Nu ik dit voorschrijf..." (11:17) ook dat ervoor geschrevene erbij te betrekken!
Dus ieder heeft iets. Ook vrouwen hebben (of zijn) gaven. Onder hen zijn ook herders, leraars, evangelisten, profeten, enz. die hun gaven in de gemeente uitoefenen.

Al met al lijkt er maar n conclusie mogelijk: een samenkomst van de gemeente is altijd gewoon een samenkomst van de gemeente, of er nu '2 of 3' of 1000 bijeen zijn. En vrouwen mogen daar o.a. volgens 1Kor.11:5 bidden en profeteren. Als leden van een gemeente samenkomen met een geestelijk doel is dat per definitie een samenkomst van de gemeente, al zijn het er maar twee. En er is niet een broedervergadering of kerkenraad die dit kan bepalen.


Is "allen" wel "allen"?

 - Korinthe

Dat de zusters in de gemeente van Korinthe gewoon meededen in de dienst, blijkt behalve uit 1Kor.11:5 ook uit het feit dat in 1Kor 14:24-26 allen(!) iets hadden. En er is geen reden om van die 'allen' de zusters uit te sluiten.
Dat "allen" vinden we vaker. Vanaf de eerste dag van de Nieuwtestamentische gemeente lezen we dat allen, ook de zusters, in talen spraken en ook profeteerden.
 - Pinksterdag
Op de ontstaansdag(!) van de Gemeente lezen we:
 - dat allen bijeen waren in de bovenzaal (Hand.2:1) en
 - dat allen in vreemde talen gingen spreken (Hand.2:4) en
 - dat Petrus even later hiervan zegt dat het de vervulling van de profetie van Jol is en speciaal van de vrouwen zegt dat zij daar profeteerden (Hand. 2:14-18).
 - Als gemeente bijeen
Nadat de apostelen zijn vrijgelaten gaan zij naar de hunnen en bidden zij eendrachtig en wordt het huis bewogen en allen werden vervuld met de Heilige geest en spraken het woord van god met vrijmoedigheid (Hand.4:23-31).


Aan wie zijn de gaven gegeven?

De gaven zijn niet alleen aan de mannen maar ook aan de vrouwen gegeven; en dan niet alleen ten behoeve van andere vrouwen, maar t.b.v. de hle gemeente, ook ten dienste van de mannen:
Rm12:3v - God heeft ieder toebedeeld... elk afzonderlijk zijn wij leden van elkaar
Ef4:7v - aan een ieder is gegeven... sommigen als...
1Ko.12:4v - het is dezelfde God die alles in allen werkt...

Er zijn vrouw-evangelisten:
Fil4:2,3 - Eudia en Syntych... die met mij gestreden hebben in het evangelie

Er zijn profetessen:
Hd.21:9 - Filippus de evangelist had 4 dochters die profeteerden

Er zijn leraressen:
Titus 2:3 - de oude vrouwen eveneens... leraressen van het goede... 

Van de gave van herder is geen speciale tekst voor vrouwen, maar vrouwelijke herders zijn er onmiskenbaar ook speciaal naar mannen toe.


Is "leren" niet toegestaan? Is alle spreken ook "leren"?

Het is duidelijk dat niet alle spreken ook leren is.
Profeteren kan soms wel leren zijn, zoals in 1Kor.14:31
Als we bijvoorbeeld de tekst hierbij nemen dat Aquila en Priscilla aan Apollos "de weg van God nauwkeuriger uitlegden"  (Hd.18:26), dan is dat gewoon "leren". Beiden leren Apollos. Op zich genomen blijkt het leren dus helemaal geen probleem te zijn.
Soms wordt leren echter niet toegestaan, zoals in 1Tim. 2:12. Dan is het dus de vraag wat het "leren" in 1 Tim. 2:12 inhoudt. We lezen daar: "ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over de man heerst". Het is duidelijk dat dit niet speciaal met het oog op de samenkomsten geschreven is, maar in het algemeen.

Het probleem ontstaat dus pas als een vrouw "leert n over de man heerst", zoals ook 1 Tim. 2:12 dat in n adem noemt. Daarmee wordt dus bedoeld: het op een (over)heersende manier leren wat zij te geloven of te doen hebben. De vrouw kan dus wel leren aan mannen als zij dat op een goede manier doet, oftewel als zij dat in een 'stille' gezindheid doet.
En net als in 1Kor.14:34 kan ook hier het 'stil zijn' niet absoluut worden opgevat, omdat we in andere teksten voorbeelden hebben van onderwijzende vrouwen.

Dat we hetgeen Paulus in 1 Tim. 2:8-12 zegt niet zo absoluut moeten opvatten, blijkt tevens uit de andere 'voorschriften' in deze verzen. Want wie houdt zich bijvoorbeeld aan "geen haarvlechten, geen goud of parels, geen kostbare kleding" dragen? Natuurlijk is dit een bewijs vanuit het negatieve, maar het geeft wel aan hoe hypocriet we soms denken.


Kunnen we uit Genesis 1 en 2 een heersende positie van de man concluderen?


Scheppingsorde?
De zgn. "scheppingsorde" wordt het vaak genoemd.
Dit wordt door Paulus aangeduid in 1Kor.11:8,9 en 1Tim.2:13. 
In 1Tim.2:13 wordt de schepping direct in verband gebracht met de zondeval: Eva werd verleid, niet Adam. Daarom moet een vrouw een onderdanige houding hebben (wat dat dan ook mag inhouden). 
De vraag hierbij is of het in de schepping f in de zondeval is ingebakken dat mannen 'heersen' (wat dat dan ook mag inhouden) over de vrouw. Gen.3:16 duidt erop dat het heersen van de man eerder een (slecht) gevolg van de zondeval is dan dat het een 'scheppingsopdracht' is.
Adam en Eva werden blijkens Gen.1:28 geschapen om beiden te heersen en zij gingen vervolgens ook gelijkwaardig met elkaar om. We zouden bij de scheppingsorde misschien beter aan de scheppingsvolgorde kunnen denken. Hoe het ook zij, Paulus noemt beide (de scheppingsvolgorde en de verleiding) als reden voor de onderdanige houding die van een vrouw verwacht wordt.

Blijkbaar gaat het om de algemene gezindheid, net zoals de andere 'voorschriften' in deze verzen. Want je kunt je verbazen over de makkelijke houding die veel nauwgezette gelovigen hebben ten opzichte van deze verzen als het gaat om opheffen van handen, vlechten, goud, kostbare kleding... Dat schijnt 'onder ons' allemaal niet zo belangrijk te zijn of gewoon tijdgebonden.
Daarom kun je ook niet alleen het stukje over de vrouwelijke onderdanigheid in het licht van schepping en zondeval te zien. Ok die andere verzen staan ermee in verband. Het lijkt er daarom op dat Paulus helemaal niet wil scherpslijpen over details, maar een algemene houding wil aangeven.

Overigens is Genesis 1: 28 in het meervoud geschreven en zegt God tegen beide: onderwerpt de aarde en hebt heerschappij... De vrouw wordt dus ook volgens de 'scheppingsorde' tot heersen geroepen.

Mannenwerk
Een andere visie is ook wel genoemd: De vrouw treedt niet in het openbaar op omdat dat een te hard en te ruw bedrijf zou zijn. Daarvoor is de vrouw te verheven en te fijn. Daarom schept de vrouw de sfeer in de gemeente en in huis. Zij bemiddelt. Zij heeft een belangrijker taak.

Waarom worden er wel veel namen van mannen genoemd als profeten en leraars?
In het algemeen vervullen mannen meer openbare bedieningen en leidersfuncties. Hun namen werden daarbij opgesomd (b.v.: Hand.6:5; 13:1). Mede daaruit mag je de conclusie trekken dat vrouwen best bescheiden mogen zijn in hun bediening. Maar nergens is de conclusie te trekken dat zij hun gaven niet in het openbaar mogen uitoefenen. Gezien de context is 1Kor.14:34 zo'n geval waar vrouwen hun positie teveel vergaten.

Wat doen we in deze tijd met de hoofdbedekking?

De hoofdbedekking diende om te laten zien dat de man het hoofd van de vrouw is.
In 1Kor.11 is te lezen dat het 'dekken' een gewoonte was van die tijd en cultuur.
Paulus geeft er namelijk geen rechtstreekse bijbelse voorschriften voor. Hij noemt gewone alledaagse argumenten: het behoort (11:7,10); het is gepast (11:13); zegt de natuur niet (11:14); het is de gewoonte (11:16). Het gaat over de toenmalige cultuur waarin het de gewoonte was.

De term "de natuur leert" moeten we gewoon opvatten als "natuurlijk" of als: "kijk wat je om je heen ziet". Immers, de natuur leert ons helemaal niet dat mannenhaar kort is. De natuur leert ons dat mannenhaar net zo lang groeit als vrouwenhaar. Het gaat erom wat in die tijd gepast, gewoon en natuurlijk was.

Als er dus rgens in de Schrift een voorbeeld is te vinden waaruit duidelijk blijkt dat het hier niet gaat om een voorschrift voor altijd en iedereen, dan is dat wel in 1 Kor 11:7-16. Het is een beschrijving, die gebaseerd is op "gewoonten" die in Korinthe als "gepast" werden beschouwd. Dan is er geen reden om het over te zetten op ons en onze tijd. Hoofdbedekking was en is een zaak die aangepast kan (en moet) worden bij de cultuur waarin je leeft.

Als we dan nu het hoofddoekje kunnen zien als een tijd- of cultuurgebonden gewoonte, dan is het in onze tijd zelfs te zien als een ongewenste associatie met andere godsdiensten en culturen.

Je zou kunnen zeggen dat de betekenis van de hoofdbedekking in onze tijd op een andere wijze tot uiting zou moeten komen.
In onze (verbale) tijd zou het misschien het beste zijn om het onder woorden te brengen. Dus dat er in je 'vergadering' over gepraat wordt en dat de vrouwen in hun woorden tot uiting laten komen dat zij niet met gezag willen leren en heersen over de mannen, maar juist wel hun eigen plaats willen innemen.
Dat zou misschien tot uiting kunnen komen in het vermijden van de uitleg van echte leerstukken of je beperken tot het geven van getuigenissen, of een levenservaring vertellen of een bemoediging geven.
In de gebeden lijkt het probleem helemaal niet te bestaan.

Verder is het nog belangrijk om te zien dat het hoofddeksel tevens als een macht werd aangeduid. De vrouw kreeg daardoor het recht(!) of de macht om te bidden en te profeteren, terwijl zij er tevens mee liet zien dat de man het hoofd van de vrouw is.

Wat betekenen hoofddoeken vandaag?

Wij leven in een andere cultuur dan de oosterse cultuur.
In die oosterse cultuur gaf Paulus, die de Joden een Jood en de Grieken een Griek wilde zijn, 'voorschriften'. Die voorschriften hebben in die oosterse cultuur nog steeds hun functie. Maar hier in de westerse cultuur is het niet moeilijk om in te zien dat wij een volkomen verkeerd signaal afgeven naar de mensen om ons heen, als 'onze' vrouwen een hoofddoek dragen.

De hoofddoek is hier in Nederland en in de hele westerse wereld al meer en meer een symbool van onderdrukking aan het worden. En in de oosterse wereld is het al bijna synoniem voor onderdrukking. Let wel, dat is dus nu ook het signaal dat 'wij' ermee afgeven aan de mensen om ons heen. Luister maar naar wat mensen hier in ons land zeggen over christelijke groepen waar hoofddoekjes/hoeden een 'must' zijn.
Natuurlijk is het zo dat de vrouwen dit altijd met de beste bedoelingen gedaan hebben, of nog doen. Wie het doet, doet het voor de Heer. Maar misschien gebeurt het ook wel vaak omdat het als een 'wet' geleerd is. Of op aandringen van hun man of van 'de broeders'. Want dat is ook wel begrijpelijk... als je in zo'n gemeenschap zit, wil je niet graag buiten de boot vallen.
Het is duidelijk dat dit heel gevoelig ligt. Maar dit verhaal is bedoeld als een eerlijke poging om aan te duiden dat de oosterse cultuur niet per se binnen de christelijke gemeente thuishoort en dat wij er in deze tijd wel eens een heel verkeerd getuigenis mee kunnen afgeven.

Bekijk het ook eens vanuit een ander gezichtspunt: zou Paulus, als hij vandaag de dag in Nederland een gemeente zou stichten bestaande uit mensen die zo uit de wereld kwamen... zou hij dan hoofddoeken voorschrijven?? Ik denk dat het nieuwe testament ons wel zo duidelijk maakt dat het Paulus er alles aan gelegen was om niemand tot aanstoot te zijn. 


Heeft het besluit op het apostelconvent ermee te maken?

In Hand.15 werden door de apostelen en de oudsten besluiten genomen over de gelovigen die vanuit de heidenwereld tot geloof in Christus kwamen. Besloten werd dat zij niets hoefden over te nemen van "het juk dat de vaderen niet konden dragen" (Hand.15:10). Geen besnijdenis, geen joodse wetten en regels. Slechts van 4 dingen werd besloten dat zij zich daaraan wel moesten houden: 1.geen afgodendienst; 2. geen hoererij; 3. geen verstikt vlees eten; 4. geen bloed eten (Hand.15:19,20). Je mag uit dat besluit ook heel concreet concluderen dat wij (christenen uit de heidenen) in de overige dingen in principe vrij zijn. Alle joodse riten en gewoonten zijn voor het joodse volk en niet voor de (christenen uit de) heidenen.


Is priesterdienst voor "Aron en zijn zonen"?

De Oud-Testamentische priesterdienst was alleen bestemd voor Aron en zijn zonen. Hieruit concludeert men wel dat het 'dus' voor vrouwen niet toegestaan is om in het openbaar priesterdienst uit te oefenen. Maar in het nieuwe Testament zijn in Christus(!) allen priesters. 1Petrus2:5 zegt: u bent een heilig priesterdom om geestelijke offeranden te offeren. 1Petrus2:9 zegt: u bent een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een volk ten eigendom... Hier kan men niet met een omgekeerde redenering de vrouwen weer van uitsluiten, want in de christelijke gemeente zijn de vrouwen ook priesters die offers brengen en dat is de vrucht van hun lippen! (Hebr.13:15).


De zevende koningin - door Willem J. Ouweneel  [ boeken bestellen... ]

Enkele citaten uit dit boek:
blz. 259/260
Door misbruik te maken van twee (m.i. verkeerd verstane) teksten in het Nieuwe Testament, de beroemde (of beruchte) 'zwijgteksten' van 1 Kor. 14:34v. en 1 Tim. 2:11 v., zijn vrouwen in de Gemeente eeuwenlang monddood gemaakt en zelfs onderdrukt. Tegen deze twee teksten moesten talloze andere nieuwtestamentische plaatsen het afleggen. Er was geen plaats voor profeterende dochters als die van Filippus (Hand. 21:9), tenzij zulke dochters veilig werden opgeborgen in nonnenkloosters, waar zij voor de kerk geen 'kwaad' konden. Vandaag zou men moeten zeggen: veilig opgeborgen binnen het 'vrouwenwerk', waar zij voor het gewone gemeenteleven geen 'kwaad' kunnen.
Eeuwenlang was er geen plaats in de Gemeente voor vrouwen die getuigden te midden van de vergaderde gelovigen (Luk. 24:9 11,22v.), of voor hardop biddende en profeterende vrouwen in de samenkomsten (1 Kon 11:5), tenzij weer in de veilige isolatie van de kloosters resp. het 'vrouwenwerk'.

blz. 262
Wat 1 Kor. 14:34v. betreft, na zorgvuldige analyse van deze passage pleit ik voor de conclusie dat het 'zwijggebod' geen absolute strekking heeft, maar slechts voor bepaalde situaties geldt, zoals het openbaar 'beoordelen' van profeten (vs. 29). Er staan immers t veel andere plaatsen tegenover die de vrouwen een volwaardige plaats in de Gemeente geven.

blz. 263
Mannen en vrouwen kunnen binnen de Ekklesia niet zonder elkaar. Het gaat volledig tegen de geest van het Nieuwe Testament in om te beweren dat dit alleen voor buiten de gemeentelijke bijeenkomsten zou gelden. Het eigenlijke leven van de Gemeente speelt zich juist in belangrijke mate in haar bijeenkomsten af. Ook daar, juist daar, moeten de mogelijkheden en capaciteiten die God aan vrouwen gegeven heeft, tot hun recht kunnen komen. Vrouwe Ekklesia kan haar bijeenkomsten geen recht laten wedervaren bij een volstrekt mannelijk alleenrecht op participatie.

blz. 264
Het is evident dat het feminisme gewoonlijk ver over zijn doel heen schiet. Het is onzin dat mannen en vrouwen, die in Christus volstrekt gelijkwaardig zijn, daarom ook precies gelijke taken zouden moeten uitoefenen. Vrouwen hebben, overigens mede door de schuld van de mannen, in het verleden n het heden altijd weer de fout gemaakt hun gelijkwaardigheid te willen afdwingen door de taken van mannen over te nemen. Hoeveel beter hadden zij de verwaarloosde vrouweliike taken op zich kunnen nemen. Laten de geestelijke vaders alsjeblieft vaders, en de moeders alsjeblieft moeders mogen zijn! De vrouw komt in de Gemeente niet tot haar recht door per se ook een vader te willen zijn, bijvoorbeeld als leidinggevende ouderling. Zij moet een moeder zijn, dat wil zeggen 'zichzelf' zijn.
Daarmee wil ik mannen en vrouwen, vaders en moeders, bepaald niet te sterk van elkaar scheiden. Ik weet ook best dat mannen een vrouwelijke zijde, en vrouwen een mannelijke zijde hebben, en dat mannen daardoor soms heel 'moederlijk', en vrouwen soms heel 'vaderlijk' kunnen zijn. Als Paulus tegen over de Thessalonicenzen als een 'voedende moeder' kon optreden (1 Thes.2:7), waarom zouden andere dienstknechten van God dat dan niet kunnen? Maar dan moeten sommige vrouwen ook evengoed in staat worden geacht soms als een vermanende en vertroostende 'vader' op te treden (vs. 11). Wie zou echter willen ontkennen dat in het algemeen de vaders het vaderlijkst en de moeders het moederlijkst zijn? Laat daarvoor in de gemeenten dan ook ruimte mogen zijn.


Meer bijbelse aanwijzingen:

Hand.1:14 - deze allen volhardden in het gebed met de vrouwen...

Rom. 16:1 - Febe, onze zuster die een dienares is...

Rom.16:3 - Prisca en Aquila, mijnmedearbeiders in Christua Jezus...

Rom.16:12 - Tryfena en Tryfosa die in de Heer arbeiden...

Galaten 3:28 - in Christus is geen man of vrouw...