|
Kerkgeschiedenis Interessante episoden uit de vroege kerkgeschiedenis |
|
|
Menu Evangelisch-Gereformeerd
|
Uit: Een nieuw geluid - Tijdschrift over Nederlands-Israël - maart 2003 "DE VROEGE KERK" - deel 1 Gladys Taylor De trek naar het westenToen onze Heer Jezus Christus zijn discipelen aanstelde, zond Hij ze uit met deze duidelijke opdracht: “Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls” (Matt.10:5-6). Wanneer wij deze opdracht goed in gedachten houden en zijn laatste bevel aan hen overdenken, wordt het ons duidelijk dat1e
Jezus gedurende de veertig dagen na zijn opstanding,
toen Hij in zijn opstandingslichaam rondging, hen onderwees
aangaande ‘de dingen die betrekking hebben op het
Koninkrijk Gods’; 2e
Hij ze zond naar ‘de einden der aarde’. Dan
wordt het ons ook duidelijk welke bedoelingen Hij had met de
uitvoering van zijn plan, dat door de discipelen tot op de
letter werd nagekomen. Dat zij de opdracht werkelijk
uitvoerden, tenminste als we er achter kunnen komen waar de
‘verloren schapen van Israël’ te vinden zijn. Het is niet
de bedoeling in deze artikelenreeks in details te treden
omtrent de eeuwenlang durende migraties van de verschillende
stammen van het Hebreeuwse ras. Het is voldoende dat we ze
kunnen volgen bij hun migraties over land en zee naar
West-Europa; op dezelfde wijze waarop we in de geschiedenis de
Keltisch-Saksische stammen hebben kunnen traceren tot in hun
oude land van herkomst in het Midden-Oosten, waar volgens
filologen hun gemeenschappelijke moedertaal moet zijn
ontstaan. Beginnend met het bovenstaande volgen we de vrienden
van Jezus op een reis die hen door alle landen van Israëls
migratie voerde. Ze bezochten Griekenland waar de Danaoi
woonden, die volgens de overlevering vanuit Egypte waren
overgestoken. Ze trokken door de Donauvalleien, waar rijke
Keltische vondsten zijn gedaan; ze trokken door naar
Frankrijk – in die tijd bekend als Gaul (Gallië) – dat
in de eerste drie eeuwen van de christelijke jaartelling puur
Keltisch was. Ze kwamen in Spanje, de bakermat van de
Keltiberiërs en gingen door naar Brittannië, waar oude
kerken over deze eilanden verspreid, talloze herinneringen
aan de vroegste heiligen bewaren. Brittannië
wordt het laatst genoemd, omdat dit het eindpunt was van de
lange trek naar het westen. Toch tonen historische documenten
uit vele bronnen aan dat Brittannië het christelijk geloof
eerder aanvaardde dan menig meer oostelijk gelegen land.
Tijdens de eerste drie eeuwen ondernamen zendelingen uit
Brittannië de reis in oostelijke richting om het christelijke
geloof uit te dragen naar de bewoners van plaatsen in
Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Italië en de Balkan.
Onze broeders in Scandinavië kwamen langzamerhand tot
geloof; hun voorgangers reisden naar Glastonbury en Iona om te
studeren en stichtten daarna de kerken van de ‘papae’ of
‘vaderen’ in de noordelijke eilanden en nog verder in
IJsland en Groenland; ze bezochten zelfs Amerika, naar wij
mogen aannemen. Hoe
meer we te weten komen uit de oude kronieken, hoe meer we
ervan overtuigd raken dat de Britse Eilanden als een zeer
belangrijk reisdoel beschouwd werden; een feit dat alleen maar
zo kan worden uitgelegd als dit inderdaad het nieuwe thuisland
voor Israël was, de plaats door God aangewezen volgens zijn
beloften lang geleden (Jes.49:1; 51:4-5). Het
heilige eiland Avalon Zowel
plaatselijke legendes als geschreven kronieken te zamen geven
ons de feiten over Avalon (Glastonbury) en over de komst van
Jozef van Arimathea aldaar. Gildas de Wijze, een historicus,
wiens werken nog steeds voorhanden zijn, werd geboren in het
jaar van de slag van Badon, tijdens de regering van koning
Arthur. Toen Gildas probeerde uit te leggen waarom God de
Saksen toestond deze Keltische gebieden binnen te trekken
zonder dat zij beseften dat ze broeders waren, noemde hij als
reden ‘dat God in dit land de liefde van deze Israëlieten,
die het christendom hadden aangenomen en die van Hem waren,
op zijn eigen manier op de proef wilde stellen’. Het leek
erop, dat Gildas kennis had van onze identiteit. Hij geeft het
tijdstip van de komst van de christelijke leer in Brittannië
als volgt weer: ‘Aan het einde, zoals wij weten, van de
regering van Caesar Tiberius’. Hij voegt eraan toe dat ‘het
geloof zonder belemmering werd verbreid en dat de dood dreigde
voor degenen die zich zouden vergrijpen aan de belijders’.
De uitdrukking ‘zoals wij weten’ suggereert dat het
algemeen bekend was dat het christelijk geloof tijdens de
regering van Tiberius naar Brittannië werd gebracht. De
woorden ‘tempo summo’, hier vertaald met ‘aan het
einde’, kunnen beter vertaald worden met ‘op het
hoogtepunt van de regering van keizer Tiberius’. Wij weten
dat Tiberius in 37 nC stierf, zodat de komst van de eerste
zendelingen tussen 34 en 37 moet hebben plaatsgevonden, al
heel vroeg dus! Kardinaal
Baronius – de kerkhistoricus die tevens als bibliothecaris
van het Vaticaan werd aangesteld in 1596 – schreef in zijn
‘Annales Ecclesiastici’ over de vondst in de
Vaticaanbibliotheek van een zeer oud manuscript, waarin de
reis werd beschreven van een groep vrienden van Jezus. Ze
bevonden zich in een oude boot, zonder riemen of zeilen en
waren door de eigenaar verlaten. Na grote ontberingen
strandden zij op de kust bij Marseille. Vandaar uit
verspreidde de groep zich over het zuiden van Frankrijk,
waar vele kerken hen vermelden als hun stichters. In deze
groep bevond zich Jozef van Arimathea, die echter niet wordt
genoemd als stichter van een van deze kerken, hetgeen een
aanwijzing kan zijn dat hij zou zijn doorgereisd en niet lang
in Zuid-Frankrijk is gebleven. Baronius dateert de aankomst
van de boot in het jaar 35. Jozef van Arimathea kan dus in
Brittannië aangekomen zijn in de periode die door Gildas
wordt vermeld, zodat op dit punt de twee oude documenten
overeenkomen. Baronius’ beschrijving vindt bevestiging in
Franse kerkannalen. Wat wij verder weten van deze
kardinaal-bibliothecaris geeft ons overigens veel vertrouwen
in zijn geschriften. Van tijd tot tijd bracht zijn eerlijkheid
hem in conflict met andere kerkdignitarissen. Niettemin
raadde één van zijn tegenstanders iemand aan die kritiek
had ‘Baronius nooit van kwade trouw te verdenken, omdat
iedereen die hem kende wel wist dat hij nooit de waarheid
geweld aan zou doen’. Andere kerkhistorici met een Roomse
geloofsovertuiging hebben ons waardevolle bewijzen geleverd
met betrekking tot de oudheid van de Britse kerk. Wij moeten
erbij vermelden dat hun eerlijkheid, evenals als die van
Baronius, hen in conflict bracht met de pauselijke
autoriteiten. De monnik Hugo Paulinus de Cressy, die in de
zeventiende eeuw zijn ‘Kerkgeschiedenis van Bretagne’
schreef, spreekt over de kerk van Brittannië in de eerste
eeuw. De Cressy schreef nog een ander boek over
kerkgeschiedenis, dat nooit werd uitgegeven omdat het
verslagen bevatte over twistpunten tussen Engelse koningen en
het pausdom. Hij verschafte ons de datum en het jaar van de
dood van Jozef van Arimathea, t.w. 27 Juli in het jaar 85 en
sprak over zijn komst met de volgende woorden: ‘De
uitnemendste nu van de oorspronkelijke discipelen die het
meeste bijdroeg aan dit hemelse bouwwerk was Jozef van
Arimathea, met elf van zijn metgezellen waaronder zijn zoon
die dezelfde naam droeg’. Hij vertelt ons dat ‘Brittannië
de stralen van de Zonne der Gerechtigheid ontving vóór veel
andere landen, die dichter bij het land lagen waar deze Zon
voor het eerst opkwam’. De Cressy bracht lange tijd door in
Frankrijk, waar hij studeerde en schreef. Mogelijk bevatten de
oude Franse kerkdocumenten enkele van de mededelingen die
hij deed, aangezien de uitgangspunten van de zeer vroege
kerken in beide landen hecht met elkaar waren verbonden. Hij
verklaart dat hij originele documenten heeft overgeschreven.
Uit het werk van de Jezuďet Michael Alford, die zijn ‘Annales
Ecclesiae Brittannicae’ iets eerder schreef, heeft De Cressy
aanhalingen gedaan. Deze Alford stelt de vroege stichting van
de Engelse kerk vast en dat deed ook Robert Parsons, een
andere Jezuďet en evenals De Cressy een Oxford-geleerde. Zijn
verhandeling over ‘De drie bekeringen van Engeland’ werd
vlak voor de geboorte van De Cressy gepubliceerd en er staat
in te lezen: ‘De Christelijke Godsdienst ontstond in
Engeland binnen vijftig jaar na Christus’ Hemelvaart’. In
deze periode schenen protestanten en rooms-katholieken beide
bezield te zijn geweest met de vaste wil Engeland te
verdedigen tegen degenen die hen belasterden en belaagden,
zodat sommigen (Hendrik VIII) – hoewel ze trouw beloofden
aan de roomse kerk – zich toch te weer stelden tegen de
kerkelijke autoriteiten ter wille van Engelands vrijheid en
eer. De vrijheid die men bang was te zullen verliezen door
kerkelijke druk. Men zou kunnen zeggen dat onder de
Oxford-geleerden van die tijd de kennis van onze vroege
geschiedenis zich meer en meer verbreidde. Bewijzen
uit niet-Engelse bronnen Hoewel
de geschriften van vroege Britse historici, die onze
geschiedenis bestudeerden, kunnen worden beschouwd als
authentiek, die van de vroege christelijke kerkvaders die
leefden in het Middellandse Zeegebied, zijn ook van groot
belang. Wanneer zij in hun gebied dat zo ver verwijderd lag
van Brittannië schreven over de vroege Britse kerk, moeten
hun gegevens wel als algemeen bekend worden beschouwd. Irenaeus – geboren in 120 nC in Klein-Azië – leren wij beter kennen dan wie ook van zijn tijdgenoten. Hij was een leerling van Polycarpus, bisschop van Smyrna, die zelf een leerling was van de apostel Johannes. Hij reisde naar Frankrijk, waar hij het ambt overnam van Pothinus, de bisschop van Lyon, die de marteldood was gestorven. Dr.Leighton Pullan vertelt ons dat ‘Irenaeus zelf het beste bewijs was dat het christelijk geloof in Zuid-Gallië wortel had geschoten. Het geloof was vanuit Klein-Azië gekomen en had zich verspreid onder de Grieks sprekende mensen. Grieks was de voertaal in Marseille tot de vijfde eeuw en zelfs nu nog kan men sporen ervan vinden in de dialecten van Zuid-Frankrijk. Irenaeus was echter omringd door Keltische bekeerlingen. Hij bestudeerde ijverig de Keltische taal om van meer nut voor deze bekeerlingen te zijn. Hij sprak met gezag over ‘de apostelen die kerken (gemeenten) stichtten onder de Kelten’. Het
was Freculphus – bisschop van Lisieux in Normandië in de
negende eeuw – die ons vanuit een Frans gezichtspunt feiten
gaf over Jozef van Arimathea. William van Malmesbury haalt zijn
woorden aan en vermeldt zelfs bijzonderheden: ‘het vierde
hoofdstuk van zijn tweede boek’. Deze bisschop van Lisieux
zegt dan: “De apostel Filippus ging naar Frankrijk om te
prediken. Hij zond twaalf mannen vanuit Frankrijk naar
Brittannië om dit land te bekeren, waarvan zijn beste vriend,
Jozef van Arimathea, de leider was”. Dit brengt een andere
apostel, Filippus, voor het voetlicht. Er was de apostelen
kennelijk veel aan gelegen om het evangelie aan hun Keltische
broeders te brengen. Tertullianus, een kerkvader die opmerkelijk
veel te boek stelde, werd rond 60 nC geboren in Carthago als
zoon van een Romeinse centurio. Reeds als jongeman werd hij
christen. Hij publiceerde voornamelijk christelijke
verweerschriften en lessen in christelijke zedenleer en
levensstijl. Hij vermeldde in zijn ‘Adversus Judaeos’ dat er
al een wijdvertakte christelijke evan-gelieprediking bestond.
Hij zegt: “De uiteinden van Spanje, de verschillende delen van
Gallië, de gebieden van Brittannië ontoegankelijk voor de
Romeinen, hebben zich aan Christus onderworpen”. Dit toont aan
dat de christelijke kerk niet alleen bestond in Glastonbury,
maar ook in andere delen van de Britse eilanden. Origenes
– geboren in Alexandrië in 185 nC – bekend als een
geleerde, niet alleen in de theologie, maar ook in de klassieke
wetenschappen, is ook een van degenen die Brittannië
rechtstreeks vermeldt in zijn grote werk ‘Contra Celsum’,
waarin hij de wijdvertakte invloed van de christelijke leer
behandelt. Hij is blijkbaar niet erg in ons geďnteresseerd,
maar wel zegt hij: “Het land Brittannië heeft de christelijke
godsdienst ontvangen”. Dit kan niet later geschreven zijn
dan 250 nC. Een andere vroege kerkvader, die kort na de dood van Origenes werd geboren, was Eusebius (260), bisschop van Caesarea in Palestina. Hij werd in Egypte gevangen genomen, maar overleefde de bittere vervolging door keizer Diocletianus. Eusebius trad in dienst bij Constantijn de Grote. In 325 nC woonde hij het concilie van Nicaea bij waar de geloofsbelijdenis werd opgesteld. Het was op dit concilie, dat aan de Britse bisschoppen de ereplaats werd gegeven als vertegenwoordigers van de kerk die door Jozef van Arimathea was gesticht. Zijn omgang met Constantijn, de prins die in Brittannië werd geboren uit een Britse moeder, moet Eusebius zeker wel iets geleerd hebben over zijn geschiedenis, want hij zegt: “De apostelen voeren over zee naar de eilanden, genaamd de Britse eilanden”. Omdat iedere vermelding van de veraf gelegen Britse eilanden door deze leiders van de oosterse kerken als opmerkelijk beschouwd kan worden, is hun vroege verwijzing naar de Britse kerk van grote betekenis. |