|
Kerkgeschiedenis Interessante episoden uit de vroege kerkgeschiedenis |
|
|
Menu Evangelisch-Gereformeerd
|
Uit: Een nieuw geluid - Tijdschrift over Nederlands-Israël - september 2003 "DE VROEGE KERK" - deel 3 Gladys Taylor De
Keltische achtergrond In
de geschiedenis van de mensheid is er geen groter contrast
denkbaar dan tussen de christenen van de eerste eeuw, die
zuiver van hart en oprecht van geest waren en de Romeinse
samenleving in de dagen van de keizers, waarin wreedheid en
liederlijke uitspattingen hoogtij vierden en ongebreidelde
eerzucht en honger naar macht de boventoon voerden. Wij kunnen
de gunstige opinie over de Kerk echter niet oprekken tot die
van een eeuw of wat later, want ook daar begon zich eerzucht
te doen gelden. Alarmerende feiten kwamen aan het licht die
aanleiding gaven tot ‘ketterij’ en onenigheid
veroorzaakten tussen de verschillende afdelingen. Maar
gedurende de eerste eeuw was er nog een oorspronkelijke zuiverheid
van geloof en iedere leerstellige discussie was gebaseerd op
een ernstige poging te ontdekken wat Jezus en zijn apostelen
wilden dat zij zouden geloven. Wanneer
we erover nadenken, zullen we begrijpen hoe wijs God ons
leidt. Hij bemoeit zich niet met de menselijke vrijheid van
handelen, behalve in die gevallen waarin het bestaan en de
groei van zijn koninkrijk in gevaar worden gebracht. Jezus
maakte duidelijk aan zijn discipelen, dat het leven van zijn
volgelingen voortdurend in gevaar zou zijn. Nadat Hij zijn
eigen lijden, dood en opstanding had voorzegd, waarschuwde Hij
hen: “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene
zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij”
(Luc.9:23). Aansluitend kunnen wij een van zijn vele
wonderlijke uitspraken lezen: “Want ieder die zijn leven zal
willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn
leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het behouden”.
Dit gecombineerd met een ander vreemd gezegde: “Doch geen
haar van uw hoofd zal teloor gaan” (v.18), eveneens in de
context van lijden en dood (v.12-19), doet vermoeden dat hij
hun laat weten dat Hij hun bereidheid om voor zijn naam te
lijden aanvaardt. Zijn handelen zou er niet op gericht zijn
hen te redden van de dood, maar om ze te doen volhouden met
zo’n bemoediging van de heilige Geest, dat mensen zich
steeds weer hebben verbaasd over hun moed en de vreugde die de
Kerk van de eerste eeuw vervulde, zelfs gedurende de bitterste
tijden van vervolging. De
gemeente van Rome toentertijd was belangrijk voor de
beginperiode, toen door het hele keizerrijk het evangelie werd
verkondigd. Te zamen met Romeinen van alle rangen en standen,
waren er bannelingen uit oost en west, waarvan enkelen Jezus
nog hadden gekend. Het was deze belangrijke positie die de
bisschoppen van Rome in latere eeuwen hoogmoedig en
eerzuchtig maakte. Een voorgevoel van deze tendens wordt
gedemonstreerd in de brief aan de Romeinen, waarin Paulus de
christenen in Rome waarschuwt ‘zich niet te beroemen tegen
de natuurlijke takken’ of om ‘hoogmoedig’ te zijn. Hij
gebruikte daarbij het symbool van de olijfboom om de gemeente
in Israël te beschrijven (Rom.11:18-20). De neiging tot
hoogmoed was aanwezig, zelfs al in die tijd, want er waren
meer christenen van hoge geboorte in Rome dan theologen willen
toegeven. Er bestaat een misplaatste geesteshouding als zou
hoge geboorte een reden zijn voor schaamte. Dit komt tot
uiting in de beweerde eenvoud en armoede van de heilige
familie, waarin aan Jozef en Maria de waardigheid en de
erkenning van hun koninklijke afkomst wordt ontzegd. Deze
houding strekte zich ook uit tot leden van de
vroeg-christelijke kerk, van wie men aannam dat zij van lage
geboorte waren of slaven. Toch verwijzen de meestal
verwaarloosde gedeelten in Paulus’ brieven, waarin groeten
worden gedaan aan of van vrienden in Rome, naar personen van
aanzienlijke betekenis. Niet de minsten daarvan waren de leden
van de in ballingschap levende Britse koninklijke familie.
Elke poging deze mensen te identificeren wordt spottend als
volkomen onbelangrijk van de hand gewezen, zodat maar weinigen
zich realiseren hoeveel aanwijzingen er zijn voor hun
identiteit. Redelijkerwijs kunnen wij niet verwachten veel
verwijzingen naar hen te vinden in de seculiere geschiedenis,
toch zouden wij meer kunnen ontdekken dan we denken. Het was
geen toeval dat, toen het Romeinse leger in 43 AD Brittannië
binnenviel met een zekere mate van succes, Claudius keizer
was. Ofschoon alle caesars tirannen waren, heidenen die
geloofden in hun eigen goddelijkheid, leek Claudius iets
gematigder te zijn geweest dan zijn voorgangers. Veel ziekte
tijdens zijn jeugd kan zijn karakter wat milder hebben gemaakt.
Zijn eerbied voor de wet en achting voor de senaat maakten dat
de Romeinen, die nogal hadden geleden onder de regering van de
waanzinnige Caligula, hem met open armen ontvingen. Ondanks
zijn gestotter en andere lichamelijke gebreken, die reden
waren voor spot – alsof hij onnozel was – , had hij een
behoorlijk verstand en grote kennis van Latijn zowel als
Grieks. Suetonius had een indrukwekkende lijst gemaakt van
zijn geschriften, die jammer genoeg verloren zijn gegaan. Claudius,
die op vijftigjarige leeftijd keizer werd, hield ervan om met
zijn wetenschap indruk te maken. Hij vond het
prachtig bij speciale gelegenheden genade te tonen, wat
heel ongebruikelijk was in het leven van de caesars. Wij weten
niet of Caractacus iets van de geaardheid van Claudius afwist,
maar hij trof in ieder geval de juiste snaar in zijn toespraak
tot de keizer door een beroep te doen op diens verlangen om
voor een wijs en edelmoedig man aangezien te worden. De
keizers van het Romeinse rijk deden niet voor elkaar onder in
donquichotachtig gedrag, zowel van wreedheid als
welwillendheid, maar bij deze gelegenheid – door Gods genade
– hield Caractacus een toespraak die Claudius voor hem innam
en waardoor het leven van de Britse koning en zijn familie
werd gespaard. Een zeer zeldzame gebeurtenis in de Romeinse
geschiedenis. Omdat dit de enige keer is geweest dat een
Britse koning gevangen werd genomen door een uitheemse vijand,
neigt men ertoe het verzinsel aan te nemen dat de Britten
barbaren waren en dat de Romeinse invasie een zegen was die
beschaving bracht in het land. In feite is het omgekeerde
waar, want het ontwrichtte een unieke Keltische beschaving. De
Romeinse invasie was in zoverre goed, dat de wil van God
erdoor werd gediend, want de weg werd vrijgemaakt voor een
ongehinderde komst van zendelingen uit het Midden-Oosten.
Bovendien had het tot gevolg dat de familie van Caractacus
naar de plaats werd gebracht waar zij Paulus zouden ontmoeten
en waar de nog niet bekeerden tot geloof zouden komen. De
Britse koninklijke familie heeft dan ook zeer veel gedaan
voor de uitbreiding van het jonge christendom. De komst van de
legers van Claudius in ZO-Engeland vond plaats in het jaar 43,
zes jaar na de komst van Jozef van Arimathea in Glastonbury.
Zeven jaren verzetten de Britten zich tegen de Romeinen,
totdat Caractacus door verraad in vijandelijke handen viel. Er
was een luid gejubel in Rome waar Claudius een triomftocht
werd aan-geboden, die door Suetonius wordt beschreven. Hij
vertelt ons ook dat Claudius, die eerder een kleinere zegetocht
had geweigerd, besloot dat Brittannië het land was waar een
grootse triomftocht heel gemakkelijk kon worden verdiend. Er
werd feest gevierd omdat de invasie van Brittannië met enig
succes was verlopen, niet omdat de Romeinen er een bijzonder
grote overwinning hadden behaald. Niet alleen in de Britse,
maar ook in de Romeinse geschiedschrijving wordt de nadruk
gelegd op de kleine omvang van deze overwinning. Tacitus
beschrijft het laaghartige verraad van Caractacus door
Cartismandua, koningin van een andere Britse stam, wier
familie al tweemaal had geprobeerd Brittannië aan de Romeinen
te ‘verkopen’ om bij de invallers in de gunst te komen.
Suetonius bagatelliseert de overwinning door ons te vertellen
dat ‘Claudius, na Gallië doorgemarcheerd te zijn, het
Kanaal zonder moeite overstak en zes maanden later weer in
Rome terug was. Hij had geen strijd geleverd en geen
manschappen verloren, maar had een groot gedeelte van het
eiland onderworpen’. Het was voor Claudius voldoende dat
een Britse koning zijn gevangene was, alhoewel Caractacus,
volgens eigen zeggen, was ‘verraden en niet overwonnen’.
Dat Brittannië niet in zijn geheel was veroverd wordt
duidelijk uit documenten van Wales zowel als Rome. Tacitus
vertelt ons: ‘Na de gevangenneming van Caractacus werden de
Romeinen herhaaldelijk verslagen en op de vlucht gejaagd door
de Siluriërs alleen al’. Het verzet ging door onder leiding
van Arviragus en tien jaar na het verraad van Caractacus
voerde Boadi-cea, koningin van de Iceni in Oost-Engeland, de
legers aan tegen de Romeinen. In de Triaden van de Cymri (Cimmeriërs)
wordt herhaaldelijk verwezen naar Caradoc (Caractacus). Hij
wordt vermeld als een van de drie heldenkoningen. De anderen
zijn Cymbeline (Cynvelin) en Arthur; ‘anders dan door
verraad konden zij niet worden overwonnen’. Er bestaat geen
twijfel over zijn kwaliteiten als leider. Eén triade spreekt
over hem als ‘Caradoc, de zoon van Bran; elke Brit, van
koning tot boer, volgde hem als hij zijn speer opnam’. De
Britse koninklijke families waren aan elkaar verwant. Soms is
er onduidelijkheid over hun verwantschap die alleen kan worden
opgehelderd door de genealogieën van Wales te onderzoeken.
In moderne encyclopedieën wordt Caractacus vermeld als de
zoon van Cymbeline, maar Caractacus was een van de Siluriërs
in Wales en Cymbeline was koning van het oostelijk koninkrijk
rond Colchester. De reden voor deze verwarring is
waarschijnlijk gelegen in het feit dat Caractacus Cymbeline
opvolgde in de functie van Pendragon (opperbevelhebber)
wiens taak het was de legers van de gezamenlijke koninkrijken
aan te voeren bij een invasie, dezelfde functie die later werd
uitgeoefend door Uther, koning van Cornwall, en vader van
Arthur. De genealogie van Caractacus, zoals vermeld in het Pantliwydd-manuscript,
voert hem terug tot zo’n dertig generaties, beginnend bij
Caradoc, zoon van Bran Vendigeit (de gezegende), zoon van Llyr
Lledieth (Lear). Hieruit kunnen wij opmaken dat hij de
kleinzoon is van Lear, koning van de Siluriërs. De Mabinogi
van Branwen verwijst naar Caradoc als leider van de
zeven ‘Hoofdofficieren’ die het land bestuurden tijdens
de afwezigheid van zijn vader Bran die zich in Ierland
bevond. Dit was tijdens zijn jeugdjaren. In Triade 13 van Trioedd
Ynys Prydein wordt hij vermeld als de eerste van de
‘Drie Hoofdofficieren van het Eiland Brittan-nië’ en
wordt daar aangeduid als ‘Caradoc, zoon van Bran’. Zijn
relatie met Cymbeline – nog afgezien van een
huwelijksrelatie tussen de twee koninklijke families – moet
geweest zijn als erfgenaam van de titel van Pendragon
gedurende de meest onverzoenlijke oorlog waarin Brittannië
tot dan toe verwikkeld was geweest. Wij
moeten ons realiseren dat de huidige zienswijze op de Britse
geschiedenis – naast vele goed te boek gestelde feiten –
het aandeel dat Bran en Caractacus hadden in de stichting van
het christendom in Brittannië zal ontkennen, ofschoon dit
thema duidelijk naar voren komt in de vroege literatuur van
Wales. Men ging zo ver dat de veertiende eeuwse bard Iolo
ervan werd beschuldigd dat hij de ‘legende’ dat het
christendom in Brittannië was geïntroduceerd door Caradoc
ap Bran zou hebben verzonnen. Maar een passage in het Harleian-manuscript
laat ons zien dat er andere vroege verwijzingen zijn
naar dit onderwerp. Iolo stond niet alleen in zijn
overtuiging. Ondanks de fragmentarische aard van de vroege geschriften, is de eensluidendheid in deze stukken opvallend. De genealogische gegevens betreffende de afstamming van koninklijke personen zoals Arthur en Howell de Goede en Jozef van Arimathea, worden ondersteund door de oude triade over ‘Drie Heilige Geslachten van het Eiland Brittannië, te beginnen bij het Huis van Jozef van Arimathea’. In zijn afstamming vinden wij de koninklijke huizen van Wales en Engeland, koning Arthur van moeders zijde en Helena, moeder van de latere Constantijn de Grote. Hoewel minder bekend zijn er nog andere interessante geslachtslijnen te vinden in de triaden. De banden tussen de verschillende geledingen van de Keltische kerk waren sterk en zij kunnen niet los van elkaar worden gezien. Het evangelische werk ging gestadig door en kon niet tot stilstand worden gebracht, noch door Romeinse vervolging, noch door Saksische invasies. |