Verkiezing: geen dreiging, maar bron van troost
HUIS TER HEIDE - Het wederzijdse vijanddenken van arminianen en calvinisten moet doorbroken worden, vindt prof. dr. W. J. Ouweneel. „Arminianen, meest te vinden bij de evangelischen, hebben weinig begrip voor calvinisten en hun opvatting van de goddelijke soevereiniteit. Omgekeerd wordt het etiket remonstrant te gemakkelijk geplakt op evangelischen. Zij herkennen zich daar absoluut niet in.”
Het vraagstuk van de raad van God en de verkiezing is een lastig onderwerp. Er is nauwelijks een onderwerp te bedenken waarover enerzijds de Schrift zo behoedzaam spreekt en anderzijds theologische speculatie zo heeft toegeslagen, stelt Ouweneel in zijn nieuwste boek ”Het plan van God. Ontwerp van een voorbeschikkingsleer” (uitg. Medema, Vaassen). Het boek verschijnt als vierde deel van de Evangelisch-Dogmatische Reeks.
De schrijver heeft de Bijbel, de gereformeerde en de evangelische traditie doorgeploegd om te kijken hoe gedacht werd over onder meer goddelijke verkiezing en menselijke verantwoordelijkheid, supra- en infralapsarisme, geloof en vrije wil.
Andere weg
Ouweneel wil een middenweg tussen calvinisme en
arminianisme en het zogenaamd ”open theïsme”, actueel bij moderne evangelischen,
bewandelen. Het calvinisme stelt dat God alles wat gebeurt in Zijn raad heeft
gedecreteerd en dat God in Zijn eeuwig besluit van verkiezing en verwerping een
aantal mensen heeft voorbestemd en verworpen. Het open theïsme stelt -met het
arminianisme- hier tegenover dat God in Zijn eeuwig besluit van Zijn verkiezing
mensen voorbestemd heeft tot het eeuwige heil van wie Hij tevoren zág dat zij
zouden geloven. Het open theïsme gaat echter verder dan het arminianisme door te
stellen dat God niet altijd van tevoren weet wat er gebeurt (omdat dat zogenaamd
de menselijke vrijheid zou bedreigen).
Ouweneel kiest voor de zogeheten ”viatorische” benadering (”viator” betekent wandelaar, letterlijk: hij die een bepaalde weg gaat). Het viatorisme is een benadering die niet alleen plaats geeft voor de eeuwige onveranderlijke raad van God (contra arminianisme en open theïsme) maar ook voor de tijdelijke, veranderlijke wegen van God waarlangs Zijn raad zich verwerkelijkt (contra het calvinisme).
Bij de raad van God gaat het om Gods genadige soevereine besluiten, bij de wegen van God gaat het om Gods respons in de tijd op gebeurtenissen die door Hem mogelijk wel zijn voorzien, maar vrucht zijn van de vrije beslissingen van de mens. Zo behoort volgens Ouweneel de verkiezing van de gelovigen tot de eeuwige raad van God, de verwerping van de ongelovigen tot de wegen van God in de geschiedenis.
Ouweneel erkent -contra de arminianen- dat er een eeuwig besluit van verkiezing is van een bepaald aantal mensen, ook dat God sommige mensen bestemt tot het eeuwig verderf. Maar verkiezing is een reddende daad die zowel het soevereine wilsbesluit van God als de verantwoordelijkheid van de mens vooronderstelt. Met zijn ’viatorische’ weg wil hij het traditionele vijanddenken tussen calvinisten en arminianen doorbreken. „Ik zoek niet een vermenging van beide stelsels, maar een tussenweg, of nog scherper en correcter: een andere weg. Ik zoek een positie die de scholastische logica van beide denksystemen te boven gaat.”
Vol troost
Ouweneel betreurt het dat de leer van de verkiezing een
donkere leer vol dreiging en bangmakerij is geworden in plaats van, zoals de
Bijbel laat zien, een leer vol troost. „Een bekende waarschuwing luidt: pas op
dat je niet met een ingebeelde hemel naar de hel gaat. Als men de vele
wankelmoedigen en heilbegerigen ziet die onder zulke kreten gebukt gaan, kan men
diegenen begrijpen die hiertegen ingebracht hebben: Velen zullen met een
ingebeelde hel naar de hemel gaan. Er zullen er zeker zijn die met een
ingebeelde hemel naar de hel gaan, maar dat betreft nooit de bekommerden die
dorsten naar het heil, maar altijd en uitsluitend de eigengerechtige lieden, de
huichelaars, degenen die zich laten voorstaan op hun goede werken.”
Ouweneel verdedigt de Dordtse Leerregels omdat zij volgens hem geen eeuwig besluit van de verwerping, dat wil zeggen los van de schuld en het ongeloof van de mens, geleerd hebben. „Met name de Dordtse Leerregels nemen een veel evangelischer standpunt in dan men bij de latere hypercalvinisten aantreft”, zo stelt Ouweneel. „Als evangelicalen het vanzelfsprekende arminianisme van zich af weten te houden én de Dordtse Leerregels niet met het hypercalvinisme zouden vereenzelvigen, zouden zij met het overgrote deel van de inhoud daarvan redelijk goed kunnen instemmen. De Dordtse Leerregels zijn toch veel mooier dan de werken van Gomarus. Natuurlijk, er is de leer van de verwerping, maar die is bij Dordt niet van harte ingevoegd. De leerregels zijn bovendien erg pastoraal in de wijze waarop ze schrijven over de kleine kinderen en de geloofszekerheid. Het zou te wensen zijn dat evangelischen dit zouden bestuderen.”
Tegen verkettering
Ouweneel signaleert een wederzijdse
verkettering van calvinisten en arminianen. Calvinisten stellen dat arminianen
niet geloven in de verdorvenheid van de mens en wel in de algemene verzoening,
terwijl arminianen een verkeerd beeld hebben van de calvinisten als zouden zij
een deterministische verkiezingsleer geleerd hebben.
Ouweneel: „Evangelischen zijn in het algemeen wel arminiaans, maar deze hele problematiek leeft niet bij hen, ahistorisch zoals zij meestal zijn. Ze kennen die strijd niet zoals die in Nederland zich afgespeeld heeft, omdat zij vooral op Amerika georiënteerd zijn. Evangelischen zijn theologisch vaak weinig onderlegd. Ze zijn heel sterk gericht op de Evangelieverkondiging. Het allergrootste succes van de pinksterbeweging is haar gigantische bijdrage aan de zending.”
Voor de calvinist is het wel degelijk van belang dat het geloof niet
afhangt van de menselijke keuze.
„Maar ook een evangelicaal zal dat
laatste beamen. Ook hij leert de soevereiniteit van God, al functioneert deze
niet expliciet. Dat het behoud van de mens afhankelijk is van de keuze van de
mens of een verdienste van de mens is, is een karikatuur. De evangelicalen
leggen zeker eenzijdig de nadruk op de verantwoordelijkheid van de mens, maar
erkennen wel dat het tot geloof komen honderd procent het werk van Gods genade
is. Dat is een conclusie die achteraf te trekken is. Zowel de arminianen als de
gomaristen lijden aan overschatting van de menselijke logica. In hun omgang met
de Bijbel komen bepaalde teksten extra naar voren en worden andere teksten
weggeredeneerd. Ik stel voor om die spanning te laten bestaan. Er zijn toch meer
paradoxen in de theologie, zoals de tweenaturenleer, en daar moeten we toch ook
bij leven?”





