Inleiding

Teksten&Meningen

Relatief zwijgen

Kuen

 

De rol van de zusters in de samenkomst
Een bijbelstudie door Lex Klein Haneveld gepresenteerd op een gemeente-avond
Zwolle - juni 2004


Kuen - De vrouw in de gemeente
(vertaling van LKH) 

Kuen - blz. 91

1 Kor. 11:5 - Gaat het om een samenkomst of om een privé bijeenkomst?

Men heeft de duidelijke conclusie uit dit gedeelte willen weerleggen, doordat men stelde dat dat de verzen 1-16 niet in verband staan met een samenkomst en dat de aanwijzingen pas vanaf vs. 18 op de bijeenkomsten ‘als samenkomst (of kerk)’ zijn toe te passen.

Over dit thema maakt L. Birney vijf opmerkingen:
     1. Niets in de samenhang van de tekst wijst erop dat dat het om een privé bijeenkomst ging. Overigens was in die tijd het onderscheid tussen openbare en privé bijeenkomsten nog maar zeer gering, en het valt te bewtijfelen of de vraag van de hoofdbedekking binnen in een particulier huis zo belangrijk zou zijn geweest.
     2. Anderzijds zijn bidden en profeteren normale aktiviteiten van een gemeentebijeenkomst. Als deze aanwijzingen voor andere soorten bijeenkomst moesten gelden, dan zou men kunen verwachten dat dit werd toegelicht.
     3. De verwijzing naar de engelen wijst op het kader van een samenkomst der gemeente, “opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekend gemaakt wordt” (Ef. 3:10), die in de gemeente is verwezenlijkt.
     4. De apostel refereert expliciet aan de praktijk van de gemeenten (vs. 16), precieser: op de plaatselijke samenkomsten van de gemeente (want hij past het meervoud toe).
     5. Wij herinneren er aan dat de vrouwen op de geboortedg van de gemeente, de Pinksterdag, in het openbar hebben geprofeteerd (Hand. 1:14)” (L. Biney, 82, P. 21).

G.H.lang zegt eveneens: de verzen 4, 5, 22, 24, 29-33 van hoofdstuk 14 tonen zonder twijfel, dat profeteren een gave was, die in openbare bijeenkomsten moest worden uitgeoefend.

Dat bevestigt G. Bilezikian: “De profetische gave vooronderstelt naar zijn aard het kader van een samenkomst: ‘Wie profeteert, wie profeteert, bouwt de gemeente op’ (1 Kor. 14:4). Volgens het woord van de Here Jezus vormen twee of drie, die in zijn naam vergaderd zijn, een godsdienstige gemeenschap, omdat Hij in hun midden is (Mat 18:20). Het aantal personen is daarom zonder betekenis. Het gebed en het profeteren vormen de eigenlijk basis van de eredienst: door het gebed komt de (aan)bidder – samen met de gemeente – in de tegnewoordigehid van God, die antwoord, omdat Hij zjn woord door de profeterende persoon doorgeeft.” (85, P. 139; 92, P. 112).

Ook D.A. Carson zegt: “De profetie vindt in het kader van de gemeente plaats, waar zij kan worden beoordeeld (1 Kor 14:23-29), de huisgroepen vormden in die tijd de gemeente. Vers 16 trekt een parallel tussen ons en de gemeenten van God. Als Paulus op andere plaatsen de Autoritaire toon aanslaat, spreekt hij over het gedrag in de gemeente (vgl. 1 Kor. 14: 33B, 36). De beperking die hij vrouwen oplegt, is alleen in een openbare bijeenkomst zinvol” (o.J., P.11-12).

L. Birney voegt daaraan toe: “Dat veel gemeenten zich op deze Bijbeltekst beroepen en verlangen dat vrouwen in de gemeente hun hoofd bedekken, bewijst overigens ook, dat zij daarin een gemeentelijke samenkomst zien (823, P. 22).

Kuen – 169–177

4. De oplossingen d.m.v. het ‘relatieve zwijgen’.

De vierde groep van harmoniseringen omvat alle, die in 1 Kor. 14:34-36 geen absoluut zwijggebod voor de vrouw in gemeentelijke samenkomsten zien. Dat is de natuurlijkste betekenis van het woord ‘zwijgen’ in deze samenhang.

Er zijn drie aanwijzingen om te zwijgen in hoofdstuk 14 (v. 28, 30, 34), die op drie verschillende groepen personen betrekking hebben: op degenen die in tongen spreken (v. 2, 5, 9-17, 27 ev.), op degenen die profetisch spreken (v. 3, 24, 29-32) en op de vrouwen. Alle drie hebben hetzelfde doel: de orde in de samenkomst. ‘Hetzelfde woord (zwijgen) wordt nog tweemaal in dit hoofdstuk toegepast, in de verzen 28 en 30. Wij zullen daar in ons onderzoek rekening mee moeten houden. Zou men, in plaats van in dit vers een absoluut bevel te zien, dat de vrouw een totaal zwijgen oplegt, dit vers niet als een verzoek kunnen zien aan de vrouw om onder bepaalde omstandigheden er het zwijgen toe te doen?’ (C. Vilain, 75, p. 91).

a. Men heeft gedacht , dat slechts bepaalde vrouwen moesten zwijgen: degene die slechts zo nu en dan profetisch spraken, of de gehuwde vrouwen of de aanwezige niet-christenvrouwen. Maar niets in de tekst ondersteunt deze veronderstellingen. De verzen 14-5, 23, 24, 26, 27, 29, 31 en 39 geven alle het recht om profetisch te spreken, zonder preciezere bestemming, aan alle mensen.

b. het is logischer te denken, dat slechts bepaalde soorten van het mondeling ingrijpen onder dit verbod vallen.

Er werd voorgesteld: 
     1. het spreken in tongen (vgl. 14:28). Maar vers 35 zou in dat geval ongerechtvaardigd zijn.

     2. de leer, omdat zij de uitoefening van autoriteit zou zijn. Zo spreekt vers 34B van ondergeschiktheid. Maar het profetische spreken, dat in het algemeen voor het leren wordt genoemd, is precies zo een uitoefening van autoriteit, en hier gaat het niet om het leren.

     3. het gillend praten en het geklets. Het waren de te luide vrouwen, die moesten zwijgen, of degenen die niet geschoold waren, of die dwaalleren verbreidden of die zich niet aan de regel van v 29 wilden houden.

De Engelse versie van de Jeruzalemmer Bijbel vertaalt: ‘De vrouwen moeten in de samenkomsten niet hun stem verheffen (raise their voices)’.

Voor J.K. Howard zit het probleem daarin, dat de vrouwen de samenkomsten luidkeels onderbraken. (83, p. 38). Deze uitleggers baseren zich op een van de betekenissen van het woord lalein. Het woord lalein (spreken) ‘kan hier bijvoorbeeld lange toespraken houden, vragen , discuteren, tegenspreken, kletsen betekenen.’, zegt G. Campbell-Morgan, die in dit vers een heenwijzing naar de houding van de vrouwen ziet, die ‘vroegen en tegenspraken, en hun talent en vrijheid wilden tonen.’ (De Korinthebrieven, p. 119; dezelfde uitleg bij F. Baudarz, W. Simon, L. Morris, G. Deluz).

R. Shallis zegt, laleo heeft ‘in het klassieke Grieks een eenduidige negatieve bijbetekenis. Lalia betekent het geklets.’ Volgens Shallis verheft Paulus zich hier tegen de vrouwelijke neiging om buiten het thema om te spreken, eigen wegen te gaan, met elkaar te smoezen. Hij wil dat het woord van God zich kan uitbreiden zonder onderbreking of afleiding (Shallis, 90, p. 105-112). Het is ook de mening van F. de Coninck: Paulus ‘gebruikt een werkwoord, dat preciezer met ‘kletsen ‘ vertaald wordt. – de eerste betekenis van laleo is onduidelijke klanken uitspreken … Het staat in tegenstelling tot lego, dat het duidelijke en doordachte woord betekent”(90, p. 55).

Maar ook hier ondersteunt de tekst deze veronderstelling niet. In de Septuagint bijvoorbeeld antwoordt Jeremia op het bevel van de Here, die hem tot ‘profeet van de naties’ inzet ‘Ik kan niet spreken (lalein)’ Zo wordt dit werkwoord gebruikt om het openlijke profetische spreken aan te duiden. ‘Laleo’, zegt W. House, ‘werd in het klassieke Grieks voor kletsen gebruikt, maar niet in de eerste eeuw, waar het synoniem voor lego was (88, p. 309). In de Koine, de taal van het Nieuwe Testament, betekent laleo eenvoudigweg ‘spreken’.

W. Grudem wijst op het volgende: vers 33B spreekt van een in alle gemeenten verbreide praktijk, hij weerspreekt daarmee de voorstelling dat Paulus de bijzonder luidruchtige vrouwen in de Korinthische gemeente op de korrel neemt. De verwijzing naar de ‘wet’ doet ook meer denken aan een algemene toepassing (niet alleen in Korinthe). Als in Korinthe echter het ongecontroleerde spreken het probleem was geweest, dan had de apostel geëist, deze wijze van spreken te vermijden, maar niet iedere inmenging (87, p. 21). Paulus zegt alle vrouwen, dat zij moeten zwijgen. Buitendien lijkt het ook niet juist, de betekenis van lalein tot ‘kletsen’ te beperken.


     4. Het beoordelen van profetieën. Een andere oplossing schijnt een groeiende meerderheid van evangelische exegeten te verenigen: wat Paulus de vrouwen hier verbiedt, is de deelname aan de beoordeling van het profetische spreken.
Vers 29 geeft de algemene regel: ‘Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen.’Daarna toont Paulus in de verzen 30-35, hoe hetgeen hij juist heeft gezegd, moet worden toegepast; de verzen 30-33 lichten vers 29A toe: hoe verloopt binnen de twee of drie die profetisch spreken de overgang van de een naar de ander, de verzen 34-35 lichten vers 29B toe: wie ‘die anderen’ zijn, die moeten beoordelen.

K.T. Wilson vindt bevestiging voor deze interpretatie in de structuur van de verzen 26-3, (91, p. 449); vgl. Hurley, Man and Woman, p. 188 ev) In de ‘Bible du Semeur’ beginnen de verzen 30 en 34 met een streepje, dat toont dat ze allebei aan vers 29 ondergeschikt zijn, vers 34 wordt zo geformuleerd: ‘Zoals in alle gemeenten van hen die God toebehoren, moeten de vrouwen zich in de samenkomsten niet inmengen; want het is hun niet toegestaan, zich te uiten. Ze moeten in ondergeschiktheid weten te blijven, zoals ook de wet beveelt.’ Omdat Paulus bij de profeten verlangt heeft, dat hun boodschappen beoordeeld worden, om zeker te stellen dat zij geen valse leer bevatten, en omdat vrouwen ook tot de profeten werden gerekend, was een probleem ten aanzien van de ondergeschiktheid aan mannen opgetreden (Hurley, 73, p. 217).
|
“Het verbod, waarvan in deze verzen sprake is, heeft betrekking op het stellen van vragen, die een oordeel over de profetische uitspraken inhielden (dat laat tenminste de tekstsamenhang denken)’ (F.F. Bruce, 82, p. 10). ‘De vrouwen moeten niet aan de mondelinge beoordeling van het profetisch spreken deelnemen.’ (D.A. Carson, 87, p. 129). Paulus wil ‘de vrouwen tot zwijgen brengen, die in tegenstelling tot de Joodse en Griekse gebruiken aan de discussie wilden deelnemen. Het is werkelijk alleen dit gevaar, waarvan in de verzen 33B-35 sprake is’ (J. Hering, 59, p. 130).
Volgens 1Kor. 14:26 bestond de samenkomst in wezen uit bijdragen van verschillende zijden: gezang, lering, openbaring, spreken in tongen en uitlegging. Zoals dat nog heden ten dage in onze huiskringen gebeurt, gaf deze uitwisseling aanleiding tot tussenvragen aan de sprekers, hetzij om verduidelijking van een punt te vragen, dan wel om de bewering te nuanceren of zelfs te bestrijden. Dat is de vrijheid die de apostel geeft, zelfs met het oog op degenen die door de geest van God geïnspireerde boodschappen brengen. ‘Laat de anderen beoordelen!’ Maar beoordelen of een boodschap goed of fout is, betekent zich boven de boodschapper te stellen, meer te weten dan hij, zich in staat te voelen zo nodig te corrigeren. Dus: een onbetwistbare autoriteit uit te oefenen.

W. Grudem ondersteunt eveneens deze oplossing (87, p. 21-23). In vers 29 heeft Paulus gezegd, dat de anderen (namelijk de rest van de gemeente – had hij willen zeggen: de andere profeten, dan hij de uitdrukking hoi loipoi gebruikt, niet hoi alloi) moeten beoordelen, waarderen, kritiek geven – maar in vers 34 zegt hij het precies: niet de vrouwen.

‘Vanuit de opbouw gezien’, zegt hij, ‘is deze oplossing zeker de overtuigendste van alle, die werden voorgesteld. Zij betekent dat Paulus een zeer logische werkwijze heeft gevolgd. Eerst spreekt hij een algemene zin uit ’van de profeten mogen er twee of drie het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen.’ (vers 29) Aansluitend geeft hij in de verzen 30-33A aanvullende aanwijzingen bij de eerste helft van vers 29, vervolgens in vers 33B-35 verdere aanwijzingen bij de tweede helft van het vers.’
In vers 34 zegt Paulus ‘het is haar niet vergund te spreken (zich te uiten), maar (alla) zie moeten ondergeschikt blijven.’ Dit echter betekent een sterke tegenstelling. Daarom is het spreken dat Paulus hier op het oog heeft, in het bijzonder een spreken dat de afwijzing van ondergeschiktheid insluit, en dat zou het geval zijn bij een beoordeling van of kritiek op een profetie. Daarmee zou men tot uitdrukking brengen, dat men een hogere autoriteit in vragen betreffende de leer of van ethisch onderwijs bezit.


Hierna een korte samenvatting van pag. 175 – 177.
[Deze pagina’s moeten nog verder vertaald worden, maar de kern is weergegeven.]


Zoals ook de wet zegt

Deze relatie met de wet heeft ook de uitleggers in verlegenheid gebracht, die niet tot het inzicht zijn gekomen dat het om een citaat van Judaïsten gaat, omdat men in het Oude Testament werkelijk geen voorschrift vindt, dat de vrouw het zwijgen uitdrukkelijk beveelt. 
Oplossing 1: Griekse of Romeinse wetgeving
Oplossing 2: beroep op wet heeft geen betrekking op zwijgen, maar op ondergeschiktheid: geen kritiek op profeten.

Waarom kon de vrouw geen vragen stellen?

Ook geen vragen stellen, want dat zou in (bedekte) kritiek kunnen uitmonden. Wel - en dat was in die tijd nieuw! – krijgen vrouwen hier het recht om religieuze vragen met hun man te bespreken.


Voordeel van deze oplossing:
Deze uitleg past naadloos in de gedachtegang van hoofdstuk 14: het overeind houden van de orde bij het gebruik der gaven. Het algemene thema van hoofdstuk 12-14 wordt niet opgegeven, zoals de verzen tonen, die hoofdstuk 14 afsluiten. Anderzijds houdt deze oplossing rekening met de opbouw van het gedeelte. De verzen 26 ev geven praktische richtlijnen voor de uitoefening van de gave van het spreken in tongen en de gave van het profeteren in de gemeente; de verzen 27 ev betreffen degenen die in tongen spreken, de verzen 29 ev degenen die profetisch spreken. Verder vragen sommige schrijvers zich af, of vers 35A niet de sleutel voor dit hele gedeelte is: wat thuis moet gebeuren - en niet in de samenkomst – is het vragen, inhaken en ingrijpen, of het gepast is of niet.
 


www.vergadering.nu/zwolle  -  Adres: Brink 13, 8021 AP Zwolle  -  Meer over 'de Vergadering'