www.vergadering.nu  Recensie-index  www.vergadering.nu

7 RECENSIES


Het verbond en het koninkrijk van God
Ontwerp van een verbonds-, doop- en koninkrijksleer
Willem J. Ouweneel
Uitg. Medema, Heerenveen 2011
9789063536183
583 blz. € 49,95
Dit boek bestellen...

Verbond. Doop. Koninkrijk. Wie in de Bijbel ook maar iets over deze thema's heeft gelezen, vermoedt dat ze veel met elkaar te maken hebben. Maar hoe? Denk je daar vanuit evangelisch perspectief anders over dan vanuit een gereformeerde visie? En wat dan precies, en waarom?
Naast de Kerk van God blijken er nog twee belangrijke 'projecten' van God te zijn, die de totale heilsgeschiedenis omspannen: het verband van God en het koninkrijk van God. Hoe de doop daarin een plaats krijgt, wordt in dit boek uiteengezet. 
In een volgend deel zullen de toekomstige aspecten van de heilsgeschiedenis aan de orde komen. In dit deel gaat het om het heden. Het wordt nu al duidelijk wat voor gevolgend dit straks gaat krijgen voor de leer van de laatste dingen.

Dit is het negende deel van een geplande dogmatische reeks. Lees meer recensies:

1. De Geest van God...
2. De Christus van God...
3. Het schepping van God...
4. Het plan van God...
5. Het zoenoffer van God...
6. Het heil van God...
7. De Kerk van God, deel 1...
8. De Kerk van God, deel 2...
9. Het verbond en het koninkrijk van God
10. De toekomst van God
11. Het woord van God
12. De glorie van God

7 RECENSIES


7 . www.boekhandelwesterhof.nl - juni 2013

Het verbond en het Koninkrijk van God

Recensie door ds. Jenno Sijtsma

"Alleen een theologie die een wig drijft tussen de goddelijke genade en de menselijke verantwoordelijkheid, kon op het onzalige idee komen om van een afzonderlijk werkverbond en een afzonderlijk, onvoorwaardelijk genadeverbond te spreken. Nogmaals: alle verbonden zijn werk- én genadeverbond, onvoorwaardelijk én voorwaardelijk, zijn een fijn samenspel van goddelijke genade en menselijke verantwoordelijkheid die nagekomen moet worden. Geen genade buiten de menselijke verantwoordelijkheid om; maar ook: geen werken onder de goddelijke genade waardoor zij slechts volbracht kunnen worden."

Dit indrukwekkende citaat komt uit deel IX van de Evangelisch-Dogmatische Reeks van de hand van Dr. Willem Ouweneel. De ondertitel luidt: Ontwerp van een verbonds-, doop- en koninkrijksleer. Onderwerpen, die tot het hart van het christelijk belijden en geloof behoren, en die niettemin tot heel veel discussie - en helaas zeg ik er maar gelijk bij – felle ruzie en scheuring hebben geleid, en dat vandaag de dag nog steeds doen. Een tragiek waar geen woorden voor zijn en die vanuit Gods Woord en Jezus’ hogepriesterlijk gebed in Johannes 17 in geen enkel opzicht te verantwoorden zijn, laat staan dat het zo door mag gaan.

De evangelische Ouweneel is zonder meer een markant geleerde en een veelzijdig theoloog. Wat hij in deze Evangelisch- Dogmatische Reeks aanbiedt betekent het wijzen van een Bijbelse weg die niet alleen begaanbaar is, maar die ook in alles oproept ernst te maken met het Evangelie en het samen luisteren naar Gods Woord. Zijn formuleringen laten niets aan duidelijkheid over, ook al zal hier en daar zijn betoog wel eens voor rimpels in het voorhoofd zorgen. Maar door alles heen spreekt hier een bewogen christen, die wil leven bij Gods Woord.

Genadeverbond
Ouweneel wil niets weten van een verbondsleer, laat staan van een uitverkiezingsleer, zoals die door de kerk veelal wordt geleerd. Hij schrijft: Er is in de Bijbel nergens sprake van dat God een verbond sluit met de gemeente als zodanig. De Schrift kent slechts verbonden die gesloten zijn met Israël. Ook als er gesproken wordt van 'het nieuwe verbond’ wordt dat uiteraard (!) ook gesloten met Israël en is het te zien als een vernieuwing van het oude verbond. En wat de gemeente betreft, die mag delen in de zegeningen van het verbond dat God met Israël heeft gesloten. Het genadeverbond is 'een zuiver theologische constructie’. Die absoluut verkeerde constructie draagt het grote gevaar in zich dat ervan uitgegaan wordt dat de kerk het geestelijk Israël is, in de plaats van het etnische uitverkoren volk Israël is gekomen, en ook dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen. Wat deze zogenaamde `vervangingstheologie’ of substitutionalisme voor Israël heeft betekend aan onderdrukking, vervolgingen en moord, en voor de kerk die door deze ongelukkige visie 'verwereldlijkte en verheidenste’ heeft de geschiedenis de eeuwen door heel verdrietig laten zien.

Doopleer
Ook wat betreft de doopleer is Ouweneel helder in zijn formuleringen en toont hij uitvoerig aan dat de doop in de Schrift wel een 'instelling van God’ is, maar 'nooit en nergens met het verbond – welk verbond dan ook – in verband wordt gebracht’. De doop leidt de mens dan ook niet de kerk noch het verbond binnen. De doop is veeleer een reiniging en te zien als 'een toegang tot het leger van God’ en de doop 'leidt binnen tot het koninkrijk van God’. De volgorde in de Bijbel is altijd: geloven – dopen – en leren. De doop gaat dus aan het christelijk onderwijs vooraf, het is geen kennis maar geloofsovergave, geen eindexamen maar een toelating die de dopeling 'brengt op het christelijke erf, opdat hij de zegeningen en geboden van de Heer juist zal leren kennen, of steeds beter leren kennen’. Het logisch gevolg van de doop is dat men een discipel van Jezus wordt en leeft in de navolging. Ouweneel is dan ook van mening dat met de babydoop als zodanig iets mis is en dat die niet stoelt op het Nieuwe Testament. Hij ziet twaalf jaar als een ideale leeftijd om gedoopt te worden 'uiteraard met een zekere marge naar onderen en naar boven’.

Koninkrijksleer
Het koninkrijk van God is de heerschappij van God over hemel en aarde. God heeft de wereldheerschappij toevertrouwd aan Jezus, vandaar dat het soms ook in het Nieuwe Testament het Koninkrijk van de Zoon des mensen wordt genoemd. De messiaanse wonderen en tekenen die Jezus deed tijdens zijn bediening op aarde laten onmiskenbaar zien dat het koninkrijk was aangebroken. Onzichtbaar is dat Christus na zijn opstanding alle macht in hemel en op aarde daadwerkelijk gekregen heeft. Bestaat de Gemeente Gods uit individuele gelovigen, het koninkrijk der hemelen – dat een koninkrijk op aarde is – omvat gezinnen. 'Elk kind in een christelijk gezin bevindt zich op het christelijk 'erf’, ook al heeft het nog niet innerlijk deel aan het koninkrijk Gods’.

Binnen het koninkrijk Gods komt het op een waarachtig discipelschap aan. God vertrouwt de heerschappij over de wereld toe aan de mens, en de christen weet dat het koninkrijk met geweld te maken heeft omdat er voor- en tegenstanders zijn. Christenen zijn pelgrims, mensen onderweg, werkzaam in de wereld, ook voor de wereld, maar niet van de wereld, dat alles '`gericht op datgene waarheen die wereld op weg is: het koninkrijk Gods in macht en heerlijkheid'.

Met bovenstaande doe ik Ouweneel en zijn veelomvattende werk tekort. Er komt nog oneindig veel meer aan de orde, boeiende theorieën en soms ook ingewikkelde beschouwingen, teveel om hier op in te gaan. Bovenal ervaar ik het als een zegen dat de auteur in alles terug gaat naar en wijst op de Schrift, die een begaanbare weg ten leven wijst. En hoe men over zijn standpunten mag denken, het vraagt in alles een oprecht luisteren naar de Schrift.

Hier noem ik tenslotte een eenvoudiger uitgave: Gereformeerden en Evangelischen, waarin Ouweneel samen met de gereformeerde dr. Jan Hoek over veel van wat in dit boek wordt besproken ingaat, ieder vanuit een eigen standpunt. Gesprekken over rechtvaardiging en heiliging, verbond en doop, kerk en ambt en christenen en de wet, met speciale aandacht voor de zondagsheiliging. Een leerzaam geheel. Prijs € 14,95.


6 . Leren leven - 2012 - http://jmzwart.wordpress.com...

(6) Het verbond en het koninkrijk van God

Boekrecensie door Mark-Jan Zwart

Dit negende deel bevat mijns inziens het meest theologisch-theoretische onderdeel van de evangelisch-dogmatische reeks totnogtoe. Ouweneel toont voor mij overtuigend aan dat het christendom niet foederalistisch (verbondsmatig) is, maar daar bovenuit gaat. Daarbij wijst Ouweneel erop dat de gereformeerde theologie weliswaar afstand heeft gedaan van het spiritualistisch-substitutionalisme (vergeestelijkende vervangingsleer), maar dat uit haar verbondsleer blijkt dat de praktische consequenties hiervan nog niet voldoende zijn doordacht. 

Wat betreft de doop wijst Ouweneel er op dat het niet slechts een symbolische handeling is. Er gebeurt ook daadwerkelijk iets bij de doop. Het is geen achteruit kijken, naar wat ontvangen is, maar vooruit kijken, naar een leven van navolging. 

In het laatste gedeelte bespreekt Ouweneel de verschillende aspecten van het koninkrijk, waarbij hij ook de periodisering van de (heils)geschiedenis bespreekt en zo een voorschot neemt op het volgende deel over de toekomst.


5 . Sophie - 8 juni 2012 - www.sophieonline.nl/.....verbondsleer-als-theologisch-concept

Verbondsleer als theologisch concept

Recensie door Klaas van der Zwaag

Theologische theorieën worden niet in de Schrift gevonden, maar door theologen ontworpen om rekenschap af te leggen van de verbanden die zij in de werkelijkheid menen te ontdekken. Het zijn paradigma’s of vaktheorieën die ontworpen zijn om de Schriftgegevens in een logische samenhang te brengen.

Dat stelt dr. Willem Ouweneel in zijn boek 'Het verbond en het koninkrijk van God. Ontwerp van een verbonds-, doop- en koninkrijksleer', inmiddels het negende deel in zijn Evangelisch-Dogmatische Reeks. De theologie als wetenschap is bezig om de inhoud van de Schrift te doordenken, maar pas op: modellen kunnen de inhoud dermate ‘modelleren’ dat bepaalde aspecten er verloren gaan. Zo betoogt Ouweneel in dit boek dat het theologen zijn die de verbondsleer hebben uitgedacht. Ze formuleren in dooyeweerdiaanse termen een ‘gereformeerd grondmotief’, een voortheoretisch element in de gereformeerde wereldbeschouwing.

Het verbond en de doop zijn twee zaken waarover evangelischen en gereformeerden met elkaar verschillen. Het verbond is voor Ouweneel een geheel van condities, ingesteld door God, op grond waarvan de mens omgang met God kan hebben. Onder het oude verbond stonden deze condities in de mozaïsche Thora, in het nieuwe verbond heeft Jezus door zijn voorwaarden de wet niet voor, maar in ons vervuld, en wel door zijn Geest.

Het oude is afgedaan en vervuld, maar naar zijn positieve kant is het oude, Sinaïtische verbond evenzeer openbaring van genade als het nieuwe verbond. Ouweneel ziet duidelijk een eenheid tussen beide verbonden. Hij drukt dat uit in filosofische termen: de transcendente essenties van de mozaïsche Thora en het oude verbond blijven bewaard en worden binnen het raamwerk van een beter bestel geplaatst: gegrond op het priesterschap en het offer van Christus.
Het tweeledige karakter – beloften van Gods kant, verplichtingen aan ’s mensen kant – geldt voor zowel het oude als het nieuwe verbond. Ook in het oude verbond draait alles om de vooruitwijzing naar Christus en wordt men alleen door zijn genade behouden. De Schrift spreekt altijd met twee woorden die schijnbaar tegenstrijdige waarheden zijn, namelijk voorwaardelijk (vanuit het gezichtspunt van de menselijke verantwoordelijkheid, vanuit de eisende God) en onvoorwaardelijk (vanuit de soevereiniteit van God, vanuit de gevende God).

Te veel gereformeerden willen volgens Ouweneel van twee walletjes eten: of het nieuwe verbond is met het ‘geestelijk Israël’ gesloten, maar dan moet men een nationaal herstel van het etnische Israël vergeten. Of het nieuwe verbond wordt met het etnische Israël gesloten, maar dan kan men niet tegelijk ook de gemeente onder de verbondspartners binnensmokkelen. De gemeente is niet de verbondspartner in eigenlijke zin, maar deelt in de zegeningen van een verbond dat met Israël is gesloten.

Kinderdoop
Het paradigma van een leer van het verbond werd volgens Ouweneel geboren uit een theologisch conflict tussen enerzijds Zwingli en Calvijn en anderzijds de wederdopers. Zwingli had het concept nodig om zijn visie op de kinderdoop te formuleren. Het uitgangspunt van de kinderdoop stond bij voorbaat vast. Eerst was er de kinderdoop, toen kwam de verbondsleer als a posteriori argument. Er zijn namelijk ook andere metaforen denkbaar, zoals de Vader-kindrelatie of hoofd-lichaamrelatie (en die tussen de leden onderling), de twee belangrijkste verticale relaties binnen het christendom die niet op contractuele ‘afspraken’ zijn gebaseerd, laat staan op een verbond. Maar kennelijk waren deze niet geëigend om in die tijd te gebruiken.

Kenmerkend voor de evangelicale theologie is het zedelijk-redelijke karakter van het verbond, aldus Ouweneel. Dat wil zeggen: het gaat niet alleen om de (eenmalige) geloofsovergave van de mens aan Christus, maar ook om diens onderwerping aan de messiaanse Thora, om zowel rechtvaardiging als heiligmaking. Ouweneel sluit zich aan bij de uitspraak van H. Berkhof dat God zich een partner schept en zich door diens vrijheid laat beperken en weerstaan. Een mooie ‘evangelische’ uitspraak, vindt Ouweneel.

Het wezenlijk christelijke in het christendom is volgens Ouweneel niet verbondsmatig, ,,maar dat wat het verbondsmatige te boven gaat’’. Hij noemt dan Vader, Zoon, Heilige Geest. Bekering, wedergeboorte, zondevergeving en rechtvaardiging zijn buitengewoon heerlijke zegeningen, maar zijn niet de typisch christelijke zegeningen, dat wil zeggen die alleen de gelovigen van de gemeente ontvangen. Ouweneel ziet als kenmerkend voor het christendom het gelijkvormig worden aan Gods Zoon, wat in de oosters-orthodoxe kerken genoemd wordt: theôsis, het als God of Christus worden. ,,Ons wordt niet alleen vergeving geschonken, maar wij worden getransformeerd en tot het goddelijke verheven. Christus is bezig in ons gestalte te krijgen (Gal. 4:19).’’

Ouweneel is een voorstander van kinderdoop, als dit tenminste een geloofsdoop is. Maar niet van een babydoop, omdat baby’s nog niet kunnen geloven en volgelingen van Jezus kunnen worden. Het verwijt van Ouweneel is dat ‘babydopers’ de doop met iets verbinden waar de Schrift hem nooit mee verbindt, namelijk met het verbond, en nauwelijks met het veel meer Schriftuurlijke gegeven van discipelschap en navolging van Christus.

Het geloof is de voorwaarde om naar de hemel te gaan, maar de doop is van wezenlijke betekenis voor onze positie met Christus hier op aarde. Voor de hemel ontvangt een mens vergeving op het moment dat hij zijn zonden belijdt, voor de aarde als hij zich laat dopen en daarmee symbolisch de boze wereld verlaat. Het Evangelie gaat niet alleen over de vraag hoe een mens in de hemel komt, maar ook hoe hij de aarde doorkomt.

Er is volgens Ouweneel ontegenzeggelijk een parallel tussen de (fysieke) besnijdenis, die toegang gaf tot het oude verbond, en de geestelijke besnijdenis (wedergeboorte), die toegang gaf tot het nieuwe verbond. Maar de besnijdenis was de introductie tot een natuurlijk volk, met natuurlijke beloften; de doop is de introductie tot een geestelijk volk van God, met geestelijke beloften. Het kernprobleem bij de ‘babydopers’ is hun niet onderscheiden van de verschillen tussen Israël en de gemeente, en verder het gevaarlijke substitutionalisme of spiritualisme, volgens welke de gemeente het ‘geestelijk Israël’ zou zijn.

De kracht van het boek is dat Ouweneel voor wederzijds begrip pleit. Veel evangelischen hebben hun mond vol van de ‘verwerpelijke’ kinderdoop, zonder iets te weten van de gereformeerde verbondsleer. Omgekeerd verbinden gereformeerden te gemakkelijk de geloofsdoop met arminiaanse of doperse ideeën. Dit gebeurt vooral door ‘de eindeloos herhaalde suggestie’ dat het bij de babydoop de soevereine God is die eerst het initiatief neemt, terwijl dat bij de geloofsdoop de mondige, verantwoordelijke mens zou zijn. Het zou goed zijn als beide partijen zich in elkaars argumenten zouden verdiepen, wat echter amper het geval is.

Interessant is zijn opmerking dat geloofsdopers te laat en babydopers te vroeg dopen. Hoe meer de doop aan de geloofswandel voorafgaat, zoals het volgens Ouweneel behoort, des te meer komt men tegemoet aan de babydopers. Door te verlangen dat kinderen bewust én pas na persoonlijke geloofsovergave gedoopt worden, komt men tegemoet aan de geloofsdopers. Het ideaal in het Nieuwe Testament is dat bekering, waterdoop én Geestesdoop zo veel mogelijk samenvallen.

Koninkrijk
Ouweneel ziet het koninkrijk van God als veel kenmerkender voor de Schrift dan het verbond. Jezus heeft het woord verbond in het Nieuwe Testament één keer genoemd, maar tientallen keren sprak Hij over het koninkrijk. Het koninkrijk duidt op de heerschappij van God over alle mensen met als doel dat zij Hem eren en dienen. Het betreft ons leven op aarde. Het gaat helemaal niet om de vraag of en hoe men ‘naar de hemel’ gaat, maar hoe men een ware volgeling van Jezus kan worden. Niet alleen wedergeboorte door de Geest is nodig, maar ook het ontvangen van, vervuld worden en leven uit de kracht van de Heilige Geest.

De Heilige Geest is een soort 'trait d’union' tussen de kerk en het koninkrijk. De kerk is de woonplaats van de Geest, het koninkrijk de werkingssfeer van de Geest. In de eindfase van het koninkrijk Gods zal dit het grote verschil uitmaken: welke christenen leven uit de kracht van de Heilige Geest. De vijf dwaze maagden zijn geen ‘zwakke’ christenen, maar ‘valse’ christenen, schijnchristenen, naambelijders, die geen levensverbinding kennen met Christus. De rechtvaardiging is inderdaad uit geloof alleen, maar of het hier om een echt geloof gaat, blijkt uit de overgave aan Christus en uit de navolging van en gehoorzaamheid aan Hem.

Ouweneel geeft inzicht in een aantal belangwekkende thema’s van de Schrift waarover evangelischen en gereformeerden verschillend denken. Beide partijen roept hij op om zich in elkaars argumenten te verdiepen. Daarvoor geeft hij zelf een goede handreiking. Vele pagina’s Schriftstudies maken dat de theologische stof niet abstract wordt, maar concreet uit de Schrift opkomt. Dat voorkomt dat theoretische modellen over de Schrift gaan heersen voordat er eerlijk naar de Schrift geluisterd is. Toch heb ik de indruk dat de schrijver te snel en te ongeduldig de reformatorische stemmen over verbond en doop in de rede valt zonder eerst grondig ernaar te luisteren. Dit eeuwenoude perspectief heeft sterke papieren, die niet zomaar weg te redeneren zijn. Dat neemt niet weg dat wederzijds begrip uit dit fundamentele boek naar boven komt. Eén Heer, één geloof, één doop, wie zou ervan durven blijven dromen?


4 . Biblion - 2012 - www.deboekensalon.nl 

Lekker winkelen zonder zorgen - Gratis verzending en retour


Boekrecensie door Biblion

In dit negende deel van zijn evangelisch-dogmatische reeks biedt de auteur vanuit een evangelische c.q. orthodox-christelijke invalshoek een ontwerp van een verbonds-, doop- en koninkrijksleer. 

Ouweneel beklemtoont dat het genadeverbond niet naar de Schrift is, Van daaruit laat hij zien dat de substitutieleer (de kerk in de plaats van Israël) niet alleen verkeerd is, maar ook tot allerlei excessen heeft geleid. Wat de doop betreft, de Bijbel leert de juiste volgorde: geloven, dopen en leren. Dus is de doop niet in de plaats van de besnijdenis gekomen. Ouweneel pleit voor de kinderdoop vanaf ongeveer twaalf jaar. 

In het grootste gedeelte van zijn werk behandelt hij allerlei onderwerpen betreffende het koninkrijk van God: Bijbels-theologisch, historisch-theologisch, tegenstanders en discipelen, en het koninkrijk Gods en het dispensationalisme. 

Met een wereld aan voetnoten, een uitgebreide literatuuropgave, verklarende woordenlijst en personen, zaken- en tekstregister een fascinerend geschrift, dat voor theologen en meelevende gemeenteleden in veel opzichten een eyeopener zal zijn.


3. - 8 juni 2012 - www.kerkbladvoorhetnoorden.nl

Verbond en koninkrijk

Recensie door D. Visser

Ooit vatte Willem J. Ouweneel het plan op een dogmatische reeks van vijf boeken te schrijven. Het eerste deel verscheen in 2007. Nu, vijf jaar later, zijn er echter al tien delen verschenen en staan er nog twee gepland. In dit artikel geef ik aandacht aan deel 9, dat als titel draagt: Het verbond en het koninkrijk van God. Ondertitel: Ontwerp van een verbonds-, doop- en koninkrijksleer. Het is een gebonden boek van 583 bladzijden, uitgegeven door Medema in Heerenveen, ISBN 9789063536183, prijs € 49,95.

Door zijn verlangen volledig te zijn, laat Ouweneel zich verleiden tot grote uitvoerigheid. Daardoor pasten ‘verbond en doop’ niet meer in de delen 7 en 8 over de Kerk, en nam hij alvast een voorschot op het tiende deel over het (toekomstig) koninkrijk van God. Zo ontstond dit tussendeel.

Ouweneel wil blijkbaar zo snel mogelijk met deze serie klaar zijn, waardoor hij zich geen tijd gunt zijn boeken kritisch te (laten) lezen om het overtollige te schrappen. Door de vele herhalingen kunnen hele passages in deze studie vluchtig worden gelezen of overgeslagen.

Dispensationalistisch
Ouweneel typeert zichzelf als: gematigd-dispensationalistisch en prechiliastisch. Het dispensationalisme is de leer van de bedelingen, waarin de heilsgeschiedenis in bedelingen of perioden wordt verdeeld. Volgens Ouweneel doen alle theologen dat, gereformeerden met de naam ‘verbonden’. ‘Prechiliastisch’ is de naam voor de overtuiging dat voorafgaande aan de komst van het messiaanse duizendjarig vrederijk Christus zijn Gemeente opneemt.

Ouweneel ziet zichzelf als bruggenbouwer, onder andere tussen dispensationalisten en gereformeerde verbondstheologen. Volgens hem ligt het tussen de bedelingenleer en de verbondsleer niet zo zwart wit als hij vroeger dacht. Zo is het ‘nieuwe verbond’ wel Gods verbond met Israël dat nog geëffectueerd moet worden, maar ook wie in Christus geloven krijgen, nu al, de zegeningen van dit verbond. Want in dit verbond, zoals in alle verbonden, draait alles om Christus.

De fundamentele overeenkomst die Ouweneel tussen evangelische en gereformeerde christenen ziet, doet hem schrijven dat in zijn leer over (de toekomst van) Gods koninkrijk zijn dispensationalisme nauwelijks een rol speelt. Hiermee relativeert Ouweneel zijn positie echter al te zeer, zoals blijkt uit zijn overtuiging dat:

1. dat de Kerk bestaat vanaf Handelingen 2 en niet vanaf Adam;

2. dat er wezenlijke verschillen tussen de Kerk en Israël bestaan, en de Kerk niet het ‘geestelijk Israël’ is;

3. dat er een duizendjarig rijk aanbreekt na de wederkomst, waarin de Gemeente in de hemel en Israël op aarde het middelpunt zal zijn.

De kijk op (de relatie tussen) Israël en de Gemeente is voor zijn dogmatiek van uitzonderlijk belang. Daarin is de Gemeente de bruid van het Lam. Maar de Messias heeft, net als Jakob, twee vrouwen. Hij kwam voor Israël (Rachel), maar kreeg de Gemeente (Lea). Maar Hij zal Rachel ook krijgen als het messiaanse vrederijk aanbreekt. De Gemeente is Gods verrassing in zijn heilsplan.

Israël is het natuurlijke volk van God, zijn Gemeente is een hemels volk. De Gemeente is ‘een heilige vergadering van de waarlijk gelovige christenen’. Die belijdenis uit artikel 27 van de NGB citeert Ouweneel talloze keren met instemming. Zij die in Christus geloven, zijn kinderen van de Vader en opgenomen in de gemeenschap van de Drie-enige God. Die overtuiging maakt het onmogelijk aan de Gemeente als een volk van God te denken in de zin van Israël. Door dit verschil in positie bestaat er ruimte voor een afzonderlijke glorieuze toekomst van het herstelde en bekeerde Israël in het koninkrijk van de Messias.

Kinderdoop
In de visie van Ouweneel is de besnijdenis voor Israël, het natuurlijke volk van God, en de doop voor de gelovige leden van de Gemeente. Het verheugt hem dat steeds meer gereformeerde christenen oog voor Israël krijgen, de vervangingsleer achter zich laten en de landbelofte nog altijd geldig achten. Hij vindt het echter vreemd als zij vervolgens toch vasthouden aan de kinderdoop, als het verbondsteken dat in de plaats van de besnijdenis is gekomen. Volgens hem blijkt daaruit dat zij ten diepste nog altijd denken dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. Hierin heeft hij een wezenlijk punt, waaraan in mijn waarneming gereformeerde theologen tot nu toe nauwelijks aandacht hebben gegeven.

Ouweneel is tegen de babydoop, maar ook tegen de geloofsdoop als bewijs van echt geloof. Hij is voor de doop van kinderen (van ongeveer twaalf jaar), die verlangen de Here te dienen. De doop noemt hij een noodzakelijk ritueel voor beginnelingen in het geloof, dat verlossing betekent uit het machtsgebied van de vijand. Het heeft geen zin dat iemand die christen is, maar om welke reden dan ook niet is gedoopt, op oudere leeftijd alsnog gedoopt wordt. Bij deze ‘kinderdoop’ heb ik deze vraag: hoe kan iemand jarenlang ongedoopt christen zijn, als de doop nodig is om christen te zijn?

Vervanging
Ouweneel heeft me er niet van overtuigd dat zijn visie op het verschil tussen Israël en de kerk de Bijbelse visie is. Volgens mij heeft God Israël uitgekozen in de plaats van de andere volkeren, maar niet om daarmee de andere volkeren te discrimineren. Zeker blijft God trouw aan zijn beloften aan Israël. Dat moet gezegd tegenover een (gereformeerde) vervangingsleer waarin de kerk in de plaats van Israël is gekomen. Maar sinds de komst van Christus is aan de vervanging van Israël een einde gekomen. De gelovigen uit alle volkeren zijn mede-erfgenamen. En de Joden die niet in Christus geloven worden van de ‘olijfboom’ afgebroken. Dat is voor de geënte – onnatuurlijke – takken geen reden tot hoogmoed. Bij ongeloof worden ook zij afgebroken en de Joden, de natuurlijke takken, worden weer geënt als zij tot geloof in Christus komen. Deze, en vele andere elementen uit het NT, getuigen tegen de visie dat God een natuurlijk en een geestelijk volk heeft: Israël en de Gemeente. God heeft uiteindelijk maar één soort kinderen: zij die in Hem geloven zoals Abraham dat deed. Hij is de vader van alle gelovigen. Zij allen mogen om Christus’ wil God hun Vader noemen.

Ten slotte
Het heeft me verbaasd dat ik in deze studie mijn gewaardeerde leermeesters tegenkwam terwijl ze bij hun voornaam worden genoemd: Jan van Genderen, Willem van ’t Spijker en Johannes P. Versteeg; de laatste twee bij hun (baby)doopnaam. Bij Versteeg wordt trouwens alleen vermeld dat zijn tweede doopnaam met een P begint; bij andere theologen wordt ook de tweede doopnaam volledig weergeven. Dat is een opvallende inconsequentie bij een auteur die zo consequent probeert te zijn.

Ik heb slechts enkele aspecten aangestipt uit deze studie, waarin de weg door goede registers gemakkelijk is te vinden. Ik meld nog dat ik onder de indruk ben van de belezenheid van Ouweneel, maar zijn breedsprakigheid en sterke systeemdwang hinderlijk vind. In deze studie leert de lezer duidelijk de mening kennen van deze prechiliastische, gematigde dispensationalist.


2. - 25 april 2012 - www.rd.nl 

Ouweneel over verbond en toekomst

Boekrecensie door dr. J. Hoek 

Van prof. dr. Willem Ouweneel wordt nogal eens gezegd dat hij in zijn theologische ontwikkeling regelmatig bochten omslaat en daarbij eerder ingenomen standpunten verwisselt voor nieuwe visies. Dat is zeker niet uit de lucht gegrepen.

In de delen 9 en 10 van zijn evangelisch-dogmatische reeks toont hij zich echter trouw aan zijn dispensationalistisch paradigma. Of anders gezegd: hij houdt strikt vast aan de geijkte standpunten uit de kring van de Vergadering van Gelovigen (het darbisme).

Lees verder...


1. Nederlands Dagblad - 24 februari 2012 - www.nd.nl

Verbond: best belangrijk

Boekrecensie door Piet Houtman

Verbond en doop – dat thema is een grondtoon in het gereformeerde leven. Niet alleen in de theologie, maar ook in het pastoraat. Het is interessant om te lezen hoe een theoloog die zelf niet tot de gereformeerde wereld behoort, maar er wel dicht bij staat, dit onderwerp benadert.

Wat wilt u met dit boek bereiken?
‘Gereformeerden zouden het verbond als basis van hun theologisch systeem moeten gaan relativeren. Omgekeerd is bij evangelischen het verbond praktisch geen thema en dat zou het wel moeten worden.’

Wat zou u zelf aanbevelen als paradigma, dat als invalshoek voor de dogmatiek kan dienen?
‘Het nadeel van een paradigma is dat andere belangrijke thema’s op de achtergrond raken. Het zou goed zijn uit te gaan van de drieslag verbond, koninkrijk, gemeente.’

Waarom vindt u het koninkrijk van God als thema zo belangrijk?
‘Om twee redenen. In de eerste plaats vanwege de eschatologie. Dit thema stimuleert het uitzicht op de toekomstige volle heerlijkheid. Voor het heden dwingt het thema van het koninkrijk ertoe om bezig te zijn met discipelschap – dat je je als christen persoonlijk onder de heerschappij van God in Christus stelt.’

Het pas verschenen negende deel van het – volgens planning – twaalfdelige handboek dogmatiek van Willem Ouweneel is voor een belangrijk deel aan verbond en doop gewijd.

De schrijver heeft doorlopend en soms emotioneel kritiek op de gereformeerde benadering, die hij aanduidt als ‘foederalisme’: alles wordt vanuit het verbond benaderd. Ouweneel wijst erop dat het verbond in de Bijbel lang niet zo’n dominant thema is als de gereformeerde theologie ervan heeft gemaakt. Bovendien is het een typisch gereformeerd thema: het gaat langs de overige christenen, veruit de meerderheid, heen.

Bij Zwingli is het begonnen, geeft Ouweneel aan. Deze reformator kwam niet uitgaande van het verbond, bij de kinderdoop uit, maar ging de omgekeerde weg: de kinderdoop stond voor hem, in de confrontatie met de wederdopers, bij voorbaat vast, en om die te onderbouwen ontwikkelde hij de verbondstheologie. De theologische discussie is sindsdien in gereformeerde kring tot in de conflicten rond Afscheiding en Vrijmaking doorgegaan en vertoont de trekken van ‘inteelt’: eindeloze debatten die voor andere christenen vreemd en irrelevant blijven. Het verbond wordt volgens Ouweneel gebruikt als een wetenschappelijk paradigma en is als zodanig willekeurig gekozen.

De auteur komt er rond voor uit dat hij er moeite mee heeft de gereformeerde positie te doorgronden. Dat blijkt ook wel als hij Jan Woelderink en Klaas Schilder verwijt in feite bij een ‘afval der heiligen’ uit te komen: ‘Immers, de dopeling is heilig, behouden, gelovig enzovoort (en dat toch niet alleen uitwendig), maar naderhand niet meer’. Ouweneel brengt elders wel ‘belofte en eis’ ter sprake. Ook spreekt hij evenwichtig over het dilemma onvoorwaardelijk-voorwaardelijk. Dat hij daarmee wellicht de sleutels in handen heeft om het door hem opgeworpen probleem op te lossen, ziet hij niet.

Aan de andere kant brengt Ouweneel ook allerlei tegenwerpingen in tegen de positie van de ‘geloofsdopers’. Ook volwassenen, die zich uit volle overtuiging laten dopen, kunnen daarna weer wegdwalen.

Lekker winkelen zonder zorgen - Gratis verzending en retour

Ouweneel probeert een tussenpositie in te nemen tussen beide standpunten. Dat komt bijvoorbeeld uit in zijn advies over de doopleeftijd. Hij komt erbij uit de leeftijd van ongeveer twaalf jaar te adviseren: de leeftijd waarop Jezus voor het eerst mee naar het Pesachfeest ging. Hij betreurt het overigens dat dit punt van beide kanten tot een sjibbolet is gemaakt.

Middenpositie
Wat is nu zijn eigen visie op het verbond? Want dat vindt ook Ouweneel, hoewel niet allesbeheersend, toch wel een belangrijk thema in de Bijbel. Zijn visie wordt beheerst door het chiliasme. Zowel het oude als het nieuwe verbond zijn volgens hem met Israël gesloten. De Gemeente (buiten Israël; de auteur gebruikt graag dit woord voor de kerk, met een hoofdletter) is geen partij in het verbond. Wel deelt zij in de zegeningen van het verbond. Daarnaast zijn er typisch christelijke zegeningen, die buiten het verbond vallen.

Hier stuiten we op een van de zwakheden van dit boek. Het wil graag een middenpositie innemen, maar het resultaat is voor geen van beide kanten aantrekkelijk: voor gereformeerden is deze theologie te eigenzinnig en in ieder geval voor evangelischen te ingewikkeld.

Daar komt bij dat het boek rommelig van opzet is. De schijn van veel systematiek bedriegt. Wat moet een lezer, uit welke traditie dan ook, met een opsomming van negen verbonden, die elk zeven aspecten bevatten? Zonder dat duidelijk wordt wat dat betekent voor het (uiteindelijk volgens Ouweneel ook) ene verbond, of voor prediking en geloofsleven?

Kriskras
Naast verbond en doop is het derde thema in dit boek het koninkrijk van God. Volgens Ouweneel is dit in de Bijbel een belangrijker thema dan het verbond. Uit zijn uitwerking blijkt dit overigens niet. Hij bespreekt wel veel Bijbelse gegevens en veel aspecten, maar daar komt geen markante conclusie uit voort. Het betoog mondt uit in het ‘spel’ – zoals hij zelf zegt – van het opsommen van fasen van het koninkrijk: leuk om met het gebruik mee te doen maar eigenlijk niet zo belangrijk.

Het boek brengt materiaal van her en der bij elkaar. Soms wat breder uitgewerkt en meermalen ook wel interessant, maar meestal kort. In het historische gedeelte over het koninkrijk bijvoorbeeld doet de auteur Luther en Calvijn af met één zin en een paar indirecte citaten. Dat wekt weinig vertrouwen.

Elementen van verschillende aard komen kriskras door elkaar voor: opvattingen van anderen, interessante gezichtspunten en aanzetten, argumentaties, eigen meningen en soms felle kritische opmerkingen. De vele bouwstenen leiden niet tot een solide en herkenbaar gebouw.

Jammer van de grote belezenheid en denkkracht van Ouweneel. Hij kan veel, maar hij wil te veel, te haastig en wordt daardoor slordig.
 


1. Reformatorische Omroep - 1 december 2011 - www.nd.nl

Het verbond en het koninkrijk van God

Boekrecensie door Reformatorische Omroep

Het door Ouweneel geschreven keurig uitgevoerde gebonden boek is deel 9 van een 12-delige Evangelische-dogmatische reeks. In dit deel wordt aandacht gevraagd voor drie heel belangrijke thema’s: Het verbond, de Doop (kinder- en volwassendoop) en het Koninkrijk Gods.

De schrijver biedt in deze uitgave heel veel informatie over de genoemde onderwerpen, geeft de opvattingen weer die er op die terreinen van belang zijn voor de onderlinge afweging van de gereformeerde opvattingen en die van de evangelische groeperingen.

Deze uitgave biedt veel informatie voor degenen die een theologische opleiding volgen, die ambtelijk met deze onderwerpen bezig zijn en wie is dat niet? én voor belangstellende lezer.

Ouweneel geeft aan waar hij zelf staat, maar waakt in zijn beschrijvingen voor het maken van karikaturen. Met dank!

Leerzaam, confronterend, allerlei visies passeren die opscherpen om de eigen opvattingen nog beter te funderen of wat te relativeren en om de opvattingen van anderen beter te kunnen invullen, zodat er een goede inhoudelijke afweging plaats kan vinden ook in het onderlinge gesprek.

www.vergadering.nu